BMI en vetpercentage linken aan start puberteit
Terwijl een vroege start van de puberteit bij meisjes meestal gepaard gaat met de overgang naar een hoger BMI-percentiel voor de leeftijd, zijn de gegevens bij jongens onduidelijker. Een hoger BMI-percentiel voor de leeftijd kan evenwel het resultaat zijn van een vroegere puberteit op zich en niet omgekeerd.
Het doel van deze studie was om de merkers van vetweefsel in verband te brengen met het moment van de puberteit en de geslachtshormoonspiegels bij gezonde jongens en meisjes.
De onderzoeksmethode
The Kopenhagen Puberty Study is een transversale bevolkingsstudie waaraan 802 gezonde Kaukasische kinderen en adolescenten deelnamen. De leeftijd varieerde tussen 8,5 en 16,5 jaar, en er waren 486 meisjes. Om het vetweefsel te meten werden BMI en bio-elektrische impedantiemetingen gebruikt. Klinische merkers (Tanner stadium en testisvolume) bepaalden het stadium van de puberteit. LH, FSH, oestradiol, testosteron, SHBG en IGF-1 werden gemeten met immunoassays.
Alleen hoger BMI
In alle leeftijdsgroepen ging een hoger BMI eerder gepaard met een vroege dan met een late maturatie, ondanks vergelijkbare inschattingen van de vetpercentages.
Kinderen met een vroege puberteit hadden een BMI op een hoger percentiel voor hun leeftijd en een grotere prevelentie van overgewicht/obesitas, ondanks vergelijkbare vetpercentages, in vergelijking met kinderen bij wie de puberteit later begon (p≤0,038).
Meisjes in de puberteit met een vetpercentage groter dan 29% hadden significant lagere LH- en FSH-spiegels dan meisjes met een normaal gewicht (p≤0,041).
Besluit
De auteurs besluiten uit hun metingen dat een vroege puberteit niet gepaard gaat met een hoger percentage vetweefsel in een bepaald stadium van de puberteit. Maar het gebruik van de percentielen voor leeftijd van BMI overschat waarschijnlijk het vetpercentage bij kinderen die vroeg in puberteit gaan versus kinderen die laat in puberteit gaan.