Lange vernauwingen van de urethra : Vergelijking van de resultaten van verschillende chirurgische technieken
Deze studie uitgevoerd in een tiental centra in verschillende landen toont aan dat lange vernauwingen van de urethra met succes kunnen worden behandeld als de ingreep wordt uitgevoerd door ervaren chirurgen. Het slaagpercentage is hoger na transplantatie van mondslijmvlies dan na een urethroplastiek volgens de techniek van Johansson II. Het slaagpercentage is ook hoog met fascia-huidflappen, maar die veroorzaken vaker complicaties.
De auteurs van deze studie hebben de therapeutische opties bij lange vernauwingen van de urethra doorgenomen evenals de chirurgische resultaten die in internationale, multicentrische studies werden behaald. Ze hebben hun retrospectieve studie uitgevoerd bij patiënten met een stenose van minstens 8 cm in acht internationale centra, waarbij ze vooral hebben gekeken naar de chirurgische complicaties en het recidiefpercentage.
Mogelijke chirurgische technieken
De auteurs hebben de gegevens van 466 patiënten geanalyseerd. De operatie die het vaakst werd uitgevoerd, was een transplantatie van mondslijmvlies naar het dorsale segment van de urethra (47,9% van de patiënten). Andere technieken waren urethroplastiek volgens de techniek van Johansson I en II (respectievelijk 34,8 % en 12 %), fasciocutane flappen (1,7 %) en een combinatie van huidtransplantatie en flappen (3,6% van de gevallen). Na een gemiddelde follow-up van 20 maanden bedroeg het slaagpercentage 77,5% (361 op de 466 patiënten).
Resultaten van de verschillende technieken
Het recidiefpercentage was hoger na een urethroplastiek volgens de techniek van Johansson II dan na transplantatie van mondslijmvlies (respectievelijk 35,7% en 17,5%, p < 0,01). Dat was ook zo bij patiënten met een lichen sclerosus (respectievelijk14 % en 47,8 %, p < 0,01). Het slaagpercentage met de andere technieken was vergelijkbaar. Er trad vaker een recidief op na een urethroplastiek met fascia-huidflappen dan met andere technieken van urethroplastiek (respectievelijk 32% en 14%, p = 0,02).
Risicofactoren voor recidief
Het recidiefpercentage was ook hoger als de patiënt eerder al een dilatatie of urethrotomie had ondergaan. Het recidiefpercentage steeg met het aantal vroegere dilataties of urethrotomieën, in geval van een abnormale blaaslediging bij cystografie en na gebruik van huidenten. Bij logistische-regressieanalyse was het risico op recidief hoger na een urethroplastiek volgens Johansson II dan na transplantatie van mondslijmvlies.