Testosteron: wie volgt de richtlijnen?
Op het laatste congres van de EAU is er veel te doen geweest over testosteronsubstitutietherapie. Amerikaanse auteurs hebben onderzocht of er nu vaker een testosteronsubstitutietherapie wordt voorgeschreven en vooral of de richtlijnen worden nageleefd.
Het nut van toediening van testosteron is nog altijd niet definitief bewezen. Dat onderwerp komt herhaaldelijk aan bod op internationale congressen en kent voor- en tegenstanders. Maakt een testosteronsubstitutietherapie opgang?
Onderzoekers van Chicago hebben de gegevens doorgenomen van patiënten van 18-85 jaar bij wie de serumtestosteronconcentratie werd gemeten tussen 2009 en 2012. Bij alle patiënten hebben ze nagegaan of ze al dan niet werden behandeld en wat hun demografische en klinische kenmerken waren. Ook werd de follow-up gedocumenteerd naargelang van de totale serumtestosteronspiegel.
9176 mannen hadden een te lage testosteronspiegel. 3320 (36%) vertoonden effectief een hypogonadisme met een gemiddelde serumconcentratie van 194,3 ± 64,9 ng/dl. 17,7% van die mannen heeft een substitutietherapie gekregen.
Dat lijkt misschien weinig, maar de frequentie van substitutietherapie is tussen 2009 en 2012 toch gestegen van 8,3% naar 24%. 4,8% van de patiënten was 18 tot 35 jaar oud. Tijdens de eerste 6 maanden na de initiële test werden de leverfunctie en het bloedbeeld slechts bij 40% van de behandelde mannen gecontroleerd en slechts bij 49% werd de serumtestosteronspiegel gecontroleerd.
De frequentie van substitutietherapie is de laatste zes jaar dus verdrievoudigd, maar slechts een klein aantal mannen met hypogonadisme wordt effectief van dichtbij gevolgd. De auteurs zijn ook verbaasd over het aantal jonge mannen dat met testosteron wordt behandeld, en waarschuwt voor mogelijke effecten op de vruchtbaarheid. Daarom is het zo belangrijk om niet alleen de patiënten, maar waarschijnlijk ook de artsen goed te informeren over substitutietherapie.