Prognose van prolactinetumoren slechter bij mannen
Al enkele jaren houdt de evolutie van prolactinetumoren onderzoekers bezig: deze zou namelijk bij vrouwen en mannen niet gelijk zijn. De Belgische en Franse auteurs vergeleken dan ook de tumorkenmerken en het klinische postoperatieve verloop tussen beide geslachten. Zij correleerden deze gegevens aan de expressie van de oestrogeenreceptor alfa.
Voor deze studie werden 59 vrouwen en 30 mannen die een operatie voor prolactinetumor ondergaan hadden, geselecteerd en opgevolgd gedurende minstens vijf jaar.
Op basis van de grootte van de tumor, het invasieve karakter en de kenmerken van de proliferatie worden de tumoren in vijf graden opgedeeld. De expressie van de oestrogeenreceptor alfa wordt bepaald door immunohistochemie; een score van 0 tot 12 wordt toegekend op basis van het percentage positieve kernen en de intensiteit van de kleuring.
Lage expressie van de oestrogeenreceptor alfa
Mannen hadden significant meer hooggradige tumoren en een lager percentage genezing na chirurgie (23% versus 71% bij vrouwen). Op de acht patiënten die resistent waren aan de medische behandeling waren zeven mannen. Bij zes van hen was de tumor bovendien progressief ondanks verschillende postoperatieve medische behandelingen en drie van deze patiënten overleden.
De mediane score voor de oestrogeenreceptor alfa bedroeg 1 (0-8) bij de mannen en 8 (0-12) bij de vrouwen. Het verschil was significant (p<0,0001). Deze lagere expressie van de oestrogeenreceptor alfa wordt vastgesteld bij hooggradige tumoren, die resistent zijn aan de medische behandeling en een slechtere prognose hebben. Dat was in deze studie het geval bij 10 mannen en 4 vrouwen: al deze tumoren waren resistent aan dopamine-agonisten, waren van graad 2b en hadden een lage expressie van de oestrogeenreceptor alfa.