Drempelwaarden voor HbA1c bij type 1-diabetes
In de dagelijkste praktijk wordt het HbA1c gebruikt om de glucosewaarden over langere termijn op te volgen en zo de ontwikkeling van complicaties te vermijden. Er bestaat evenwel nog controverse over de na te streven doelwaarde voor HbA1c bij type 1-diabetici.
In de VISS (Vascular Diabetic Complications in Southeast Sweden) studie werd de evolutie van het HbA1c gevolgd vanaf de diagnose als predictor voor ernstige microvasculaire complicaties, retinopathie en nefropathie. De bedoeling was een drempelwaarde voor behandeling te kunnen definiëren.
Studiepopulatie
In het zuidoosten van Zweden werden 451 niet-geselecteerde patiënten met type 1-diabetes opgevolgd. De diagnose werd gesteld voor de leeftijd van 35 jaar in de periode 1983-1987. Gedurende 20 tot 24 jaar werd het HbA1c regelmatig bepaald. Het gemiddelde gewogen HbA1c op lange termijn werd berekend. Voor het opsporen van retinopathie werd een foto van de oogfundus gebruikt en voor nefropathie gegevens uit het medische dossier.
60 mmol/mol
Naarmate het gemiddelde HbA1c op lange termijn hoger was, nam ook de incidentie van proliferatieve retinopathie en persistente macroalbuminurie vroegtijdiger en sterker toe. Onder een gemiddelde gewogen HbA1c op lange termijn van 60 mmol/mol (7,6%) werd bij geen enkele patiënt retinopathie en macroalbuminurie vastgesteld. Bij een gemiddelde gewogen HbA1c op lange termijn van 80 mmol/mol (9,5%) ontwikkelde de helft (51%) van de patiënten proliferatieve retinopathie en een vierde (23%) persistente macroalbuminurie.
Het HbA1c onder de 60 mmol/mol houden bij type 1-diabetici voorkomt dus retinopathie en nefropathie gedurende minstens 20 jaar.