Nieuw voor de behandeling van hyperkaliëmie
Patiënten met nierinsufficiëntie (vanaf stadium 3), al of niet met diabetes of hartfalen, lopen een hoger risico op hyperkaliëmie als ze worden behandeld met een inhibitor van het renine-angiotensine-aldosteronsysteem (RAAS). En hyperkaliëmie kan aanleiding geven tot levensbedreigende hartritmestoornissen.
Voor ambulante patiënten zijn de beschikbare doeltreffende behandelingen echter beperkt. Bovendien hebben natrium- en calciumpolystyreensulfonaat gastro-intestinale nevenwerkingen die het gebruik ervan beperken.
Patiromer is een niet-absorbeerbare polymeer die het kalium bindt in uitwisseling met calcium, vooral in het distale colon waar veel vrij kalium aanwezig is.
Studie in twee fasen
De doeltreffendheid en de veiligheid van patiromer voor de behandeling van hyperkaliëmie bij patiënten met chronische nierinsufficiëntie en die minstens één RAAS-inhibitor namen, werd onderzocht in een multinationale, enkelblinde studie in twee fasen.
In de eerste fase van 4 weken kregen 243 patiënten een startdosis patiromer in functie van de kaliumspiegels: 4,2 g tweemaal daags bij een kaliëmie van 5,1 tot <5,5 mmol/l, en een verdubbeling van die dosis bij een kaliëmie van 5,5 tot <6,5 mmol/l. Vanaf 6,5 mmol/l werden de patiënten uit de studie uitgesloten. De dosis werd aangepast volgens een vooraf opgesteld algoritme tot de doelwaarde tussen 3,8 en 5,1 mmol/l. De dosis van de RAAS-inhibitor werd niet gewijzigd zolang de kaliëmie <6,5 mmol/l bleef.
In de tweede fase van 8 weken werden de patiënten met een initiële kaliëmie ≥5,5 mmol/l en die in de eerste fase gedaald was tot binnen de doelwaarden met behoud van de RAAS-inhibitor, gerandomiseerd tot patiromer of placebo. Een algoritme voor afbouw van de dosis én behoud van de kaliëmie binnen de doelwaarden werd gevolgd.
Resultaten
In de eerste fase daalde de kaliëmie met gemiddeld 1,01 ± 0,03 mmol/l (p<0,001). Na week 4 was de doelwaarde voor kalium (tussen 3,8 en 5,1 mmol/l) bereikt bij 76% van de patiënten. Van deze patiënten voldeden er 107 aan de inclusiecriteria voor fase 2: 55 patiënten werden gerandomiseerd tot patiromer en 52 tot placebo. De randomisatie gebeurde centraal op basis van de initiële kaliëmie en de al of niet aanwezigheid van type 2-diabetes. De gemiddelde toename van de kaliëmie in fase 2 was significant groter met placebo dan met patiromer (p<0,001). Ook het aantal recidieven van hyperkaliëmie (K≥5,5 mol/l) was na 8 weken significant groter met placebo (50% versus 15% met patiromer; p<0,001).
De meest voorkomende nevenwerking was lichte tot matige constipatie (11%). Hypokaliëmie trad op bij 3% van de patiënten.
Ter info: in oktober 2014 werd een aanvraag voor registratie van patiromer in deze indicatie ingediend bij de FDA.