Nood aan consensus over aanleercurven in de urologie
Er is nood aan een consensus over het minimum aantal urologische ingrepen dat moet worden uitgevoerd om de techniek onder de knie te krijgen. Dat stellen prof. Hendrik Van Poppel (KU Leuven) en dr. Gunter de Win (UZA). Zij hebben de internationale literatuur terzake doorgenomen en sommen enkele frappante vaststellingen op.
De auteurs hebben 44 studies gevonden die de aanleercurven voor verschillende urologische ingrepen beschrijven. Enkele frappante vaststellingen:
Voor een open radicale prostatectomie varieerde het minimumaantal gevallen van 250 tot 1.000. Voor een laparoscopische radicale prostatectomie lag de aanleercurve tussen 200 en 750 gevallen. Voor een robotgeassisteerde laparoscopische prostatectomie werd een minimumaantal van 40 gerapporteerd. De aanleercurve voor een robotgeassisteerde radicale cystectomie bedroeg 16 tot 30 gevallen. Ongeacht de eerdere laparoscopische ervaring van de uroloog verminderden de duur van de operatie (p = 0,008), het geraamde bloedverlies (p = 0,008) en het aantal complicaties (p = 0,042) significant na 100 robotgeassisteerde laparoscopische radicale prostatectomieën.
Recente technieken
De literatuur kan leren hoelang het duurt om bepaalde technieken onder de knie te krijgen. Er bestaan individuele variaties, maar het zou belangrijk zijn om te komen tot een consensus over het vereiste minimumaantal interventies. De auteurs geven toe dat het erg moeilijk is om de competentie voor een bepaalde procedure te evalueren. Tot slot merken ze op dat de meeste literatuurgegevens slaan op recente technieken en dat er vrij weinig gegevens te vinden zijn over de basistechnieken.
Het volledige artikel vormt een opmerkelijke bron van informatie en is online toegankelijk op de website van de British Journal of Urology International.