Kanker van de blaas en de hoge urinewegen
Op ESMO 2014 werd vooral gesproken van de mogelijkheden van immunotherapie bij gemetastaseerde urotheliale kanker, maar wat doen we ondertussen?
Het eenvoudige antwoord is chemotherapie met cisplatine, maar dat is helaas niet mogelijk bij alle patiënten, vooral bij patiënten met een verminderde nierfunctie. Een internationale groep heeft daarom een gerandomiseerde fase II-studie uitgevoerd bij patiënten met een creatinineklaring van 30-60 ml/min en een gemetastaseerde kanker. De patiënten werden behandeld met chemotherapie: hetzij vinflunine + carboplatine (in plaats van cisplatine) (VC = 35) hetzij chemotherapie zonder platinazout (vinflunine + gemcitabine, VG = 34).
Hematologische bijwerkingen waren zoals te verwachten was, de belangrijkste bijwerkingen, met vooral graad 3/4-neutropenie. De incidentie verschilde echter naargelang van het schema: 68% met VC en 38% met VG. De incidentie van febriele neutropenie was respectievelijk 14% en 3%.
VG bleek ook efficiënter te zijn: het percentage objectieve respons bedroeg 44,1% met VG en 28,6% met VC en de mediane totale overleving was respectievelijk 14 en 12,8 maanden. Er was echter geen significant verschil in het primaire eindpunt, zijnde het percentage ziektecontrole (objectieve respons + stabilisering). Dat bedroeg in beide groepen 77.
De onderzoekers concluderen dat beide alternatieven mogelijk zijn en dat de waargenomen voordelen van VG verder zouden moeten worden onderzocht. Tenzij er zoveel vooruitgang zou worden geboekt op het gebied van immunotherapie dat het geen zin meer heeft dat verder uit te pluizen.