Type 1-diabetes: loont het om intensief te behandelen?

Sinds de grote gerandomiseerde DCCT studie en haar observationele vervolgstudie, de EDIC-studie, wordt algemeen aanvaard dat een intensieve glykemiecontrole bij type 1-diabetes de voorkeur geniet ter preventie van complicaties en sterfte. Maar is dat echt zo in vergelijking met conventionele glykemiecontrole?
De behandelingsaanbeveling steunt hoofdzakelijk op de resultaten van de DCCT-studie die een gunstig effect van strikte glykemiecontrole op microvasculaire complicaties suggereerde. Maar zulke intensieve glykemiecontrole heeft ook nadelen: een hoger risico op hypoglykemie, en ze kost de patiënt meer inspanningen en de ziekteverzekering meer geld. Bovendien is er geen eensgezindheid over de HbA1c-waarde als de definitie van intensieve controle (van <6,5% tot <7,5%).
Significant voor macrovasculaire complicaties...
In deze systematische review werden meta-analyses en sequentiële analyses uitgevoerd van 18 RCT's die intensieve versus standaard glykemiecontrole vergeleken op verschillende uitkomstmaten bij type 1-diabetici. Minpunten waren dat alle studies een hoog risico op bias hadden en dat ze niet altijd patiëntrelevante uitkomsten maten.
Voor globale mortaliteit en voor cardiovasculaire mortaliteit kon geen statistisch significant verschil tussen beide behandelwijzen worden aangetoond.
Voor macrovasculaire complicaties, gedefinieerd als een composiet van niet-fataal MI of stroke, sterfte door cardiovasculaire ziekte, subklinisch MI (jaarlijks ECG) of angina (inspanningstest of nood aan PCI/bypass) deden patiënten onder intensieve controle het beter: RR 0,63 (0,40-0,96; p=0,03). De significantie verdwijnt echter na uitsluiten van de DCCT/EDIC studie die de langstdurende is.
...en voor nefropathie
Het risico op nefropathie, gedefinieerd als een albuminurie >300 mg/24 h, was significant kleiner onder intensieve controle maar het risico op een eindstadium nierfalen was niet significant verschillend.
Conventionele glykemiecontrole doet het dan weer beter naar minder hypoglykemie (RR 1,40; 1,01-1,94; p=0,05) en een lager BMI (gewicht 1,13 kg lager; 0,18-2,07; p=0,02).