Prostaatkanker zelden toevallig ontdekt
Vorsers van de Cornell University in New York hebben aangetoond dat het aantal prostaatkankers dat toevallig wordt ontdekt bij pathologisch-anatomisch onderzoek van het operatiestuk van een transurethrale prostatectomie vrij laag is. Uiteindelijk is ook de noodzaak tot behandeling vrij klein.
Deze retrospectieve studie werd uitgevoerd om na te gaan hoe vaak toevallig prostaatkanker wordt ontdekt bij patiënten bij wie een transurethrale prostatectomie (TURP) wordt uitgevoerd wegens benigne prostaathypertrofie. De studie werd uitgevoerd bij 793 patiënten die in één enkel ziekenhuis werden geopereerd over een periode van vijf jaar. Tweeëntwintig patiënten werden uit de studie uitgesloten omdat de diagnose van prostaatkanker al bekend was voor de ingreep. Bij 11 van de onderzochte 711 patiënten werd prostaatkanker ontdekt bij onderzoek van het operatiespecimen.
Weinig noodzaak tot behandeling
De patiënten met een prostaatkanker vertoonden een gleasonscore van 6 (3+3) tot 7 (3+4). Negen patiënten hadden een prostaatkanker stadium cT1a (tumorweefsel ? 5% van het weggesneden weefsel) en twee een stadium cT1b (> 5% van het weggesneden weefsel). Zeven patiënten werden actief gevolgd en stelden geen probleem; drie patiënten werden behandeld met een radicale prostatectomie en radiotherapie.
Nut van pathologisch-anatomisch onderzoek
Bij 1,4% van de patiënten werd dus toevallig een prostaatkanker gediagnosticeerd en slechts 0,5% van de patiënten moest daarvoor worden behandeld. Volgens de auteurs zijn die cijfers zeer laag. De vraag rijst dan ook of het wel zin heeft om stelselmatig een pathologisch-anatomisch onderzoek uit te voeren van het weefsel dat wordt weggesneden bij een transurethrale resectie wegens goedaardige prostaathypertrofie.
Te controleren
Deze studie werd uitgevoerd in één centrum. In andere, multicentrische studies werd echter een hogere incidentie van prostaatkanker gerapporteerd bij TURP (4,8% in een Koreaanse studie2 uit 2012). Een mogelijke verklaring voor die verschillen is een betere voorafgaande screening dan in de vroegere studies. De hoeveelheid weefsel die werd weggesneden, was ook vrij beperkt, waardoor de reële incidentie van prostaatkanker mogelijk werd onderschat.