Minder suiker, minder stenen

Fabio Toricelli (Cleveland, OH) heeft een zeer interessante studie gepresenteerd over het effect van type 2-diabetes op de vorming van nierstenen en de implicaties van de glykemiecontrole.
Uit de statistieken in de VS blijkt dat 21% van de diabetespatiënten urolithiase ontwikkelt als gevolg van een geringere productie van ammoniak en een lagere pH van de urine. De vorsers van Cleveland hebben een studie uitgevoerd om na te gaan of antidiabetica de incidentie van nierstenen verlagen. Ze zijn voor hun retrospectieve studie uitgegaan van de gegevens van 1.831 patiënten met stenen die werden gevolgd tussen 2002 en 2013. Ze hebben daarbij de volgende informatie verzameld: demografische gegevens, BMI, HbA1c-gehalte, pH van de urine, samenstelling van de nierstenen enz. De patiënten werden in twee groepen ingedeeld naargelang ze werden behandeld met insuline (n = 375) of orale antidiabetica (n = 1.456).
Bij lineaire-regressieanalyse werd aangetoond dat een behandeling met insuline de daling van de urinaire pH tegengaat en dat er een negatieve correlatie bestaat tussen het HbA1c-gehalte en de pH van de urine. Voor elke stijging van het HbA1c-gehalte met 1 punt daalde de pH van de urine met 0,066. 45,6% van de patiënten die met insuline werden behandeld, had een pH van 5,5 of lager, tegen 57,4% van de patiënten die werden behandeld met orale antidiabetica.
De auteurs hebben geen verschil gevonden tussen de verschillende orale antidiabetica. Een subanalyse toonde aan dat glitazones soortgelijke resultaten geven als orale antidiabetica. Er waren geen gegevens over glinides, exenatide en gliptines.