Risico op kwaadaardige schildkliernodus beter inschatten
Door een frequenter gebruik van echografie is de prevalentie van klinisch niet-gedetecteerde schildkliernodi toegenomen. In deze meta-analyse worden de klinische en echografische tekens nagetrokken die wijzen op een hoger risico voor kwaadaardigheid.
Fijnenaaldbiopsie van de verdachte schildkliernodus geeft de meest nauwkeurige diagnose. De stalen zijn echter niet steeds geschikt en uit de cytologie kan soms geen besluit worden getrokken. Bovendien zijn er grote inter- en intraobserver variaties in de interpretatie van de preklinische cytologie. Vandaar het belang van klinische en echografische tekens om de preoperatieve diagnose van maligniteit te ondersteunen.
Methodologie
Werden in de meta-analyse geïncludeerd: alle studies tussen 1 januari 1989 en 31 december 2012 die minstens één klinisch of echografisch teken linkten aan schildkliercarcinoom, zonder exclusiecriteria voor de gedetecteerde nodi, met histologisch bevestigde diagnose van kwaadaardigheid en beschikbare univariaatanalyse. Dat leverde 41 studies met 29.678 schildkliernodi.
Resultaten
Op klinisch vlak werd de grootste associatie met een hoger risico op schildklierkanker gevonden bij familiale antecedenten van deze tumor (OR 2,29), gevolgd door hoofd- en halsbestraling (OR 1,29) en mannelijk geslacht (1,22). Op echografisch vlak zijn dat een nodus die hoger is dan breed (OR 10,15), zonder halo (OR 7,14), met microcalcificaties (OR 6,76) en onregelmatige grenzen (OR 6,21). Het laagste risico op maligniteit zijn een nodusgrootte ? 4 cm (OR 1,63) en een solitaire nodus (OR 1,43).
In de metaregressie-analyse is het risico op maligniteit groter in hypo-echogene nodi in gebieden met voldoende jodium dan in gebieden met jodiumtekort.
Deze gegevens kunnen bijdragen tot een classificatiesysteem voor het risico op kwaadaardigheid van schildkliernodi.