Seksuele gevolgen van benigne prostaathypertrofie (BPH)
De medische behandeling van lage-urinewegsymptomen als gevolg van BPH kan een sterke weerslag hebben op de seksualiteit van de patiënten (vooral ejaculatiestoornissen).
Om het effect van geneesmiddelen voor BPH op de ejaculatie te evalueren, heeft een Italiaanse groep de literatuur doorgenomen en een meta-analyse uitgevoerd van de gerandomiseerde, gecontroleerde studies van minstens 12 weken van de medische behandeling van BPH of de daaruit voortvloeiende symptomen waarin werd gesproken van ejaculatiestoornissen.
De meta-analyse werd uitgevoerd uitgaande van 23 studies met in het totaal ongeveer 30 000 patiënten.
De meta-analyse toonde aan dat de prevalentie van ejaculatiestoornissen gemiddeld 6-maal hoger is met alfablokkers dan met de placebo (7,7% versus 1,1%, p < 0,0001). De hoogste prevalentie wordt gezien met tamsulosine en silodosine (odds ratio respectievelijk 8,6 en 32,5). Onderaan op de schaal staan de weinig selectieve alfablokkers (doxazosine en terazosine): het risico met die alfablokkers is vergelijkbaar met dat in de placebogroep.
5-alfareductaseremmers kunnen ook ejaculatiestoornissen veroorzaken, maar in mindere mate. Het relatieve risico in vergelijking met de placebo is van de grootteorde van 3 (2,7% versus ongeveer 1%, p < 0,0001) en er is geen significant verschil tussen finasteride en dutasteride.
In studies die alfablokkers hebben vergeleken met 5-alfareductaseremmers, was er geen significant verschil in de frequentie van ejaculatiestoornissen (respectievelijk 2,6% en 3,3%, p = 0,42).
De prevalentie van ejaculatiestoornissen is driemaal hoger met een combinatie van een alfablokker en een 5-alfareductaseremmer: 9,2% versus 3,5% met een 5-alfareductaseremmer in monotherapie (p = 0,02) en 2,7% met een alfablokker in monotherapie (p < 0,0001).