Meer kinderen, minder risico op pancreaskanker?
Pancreaskanker komt 30 tot 50% vaker voor bij mannen. Dit verschil kan niet volledig worden verklaard door verschillen in risicofactoren. De hypothese is dat hormoongerelateerde of reproductieve factoren in verband met oestrogeenblootstelling een rol spelen. De pariteit is een factor die daarvoor in aanmerking komt.
De methodologie van de tot nu toe beschikbare epidemiologische studies over het verband tussen pariteit en risico op pancreaskanker leidde tot tegenstrijdige resultaten. Elf prospectieve en 11 casus-controlestudies (tot november 2013) werden in een dosis-respons meta-analyse gebruikt. De pariteit varieerde van 3 tot meer dan 7 (levend geboren kinderen).
Borderline significant
Het gepoolde relatieve risico voor pancreaskanker bij de hoogste pariteit versus de laagste is 0,86 (0,73-1,02; Q = 50,49; p<0,001, I² = 58,4%). Het risico wordt significant in studies die correcties uitvoeren voor roken (0,81; 0,68-0,98), type 2-diabetes (0,83; 0,75-0,93), en voor alle confounders of belangrijke risicofactoren (0,85; 0,76-0,96). In de dosis-response analyse, was het globale relatieve risico per levend geboren kind 0,97 (0,94-1,01; Q = 62,83; p<0,001; I² = 69,8%), wat wijst op een klein en borderline significant effect van pariteit op het risico van pancreaskanker.
Voorzichtig besluit
De auteurs blijven voorzichtig in hun conclusies en stellen dat deze uitgebreide meta-analyse het bewijs levert dat een hogere pariteit gepaard gaat met een licht gedaald risico op pancreaskanker. Het ontbreken van alle risicofactoren en de beperkte overleving van deze kankerpatiënten moedigen aan tot het uitvoeren van verdere studies met grote groepen of gepoolde analyses.
Het precieze biologische mechanisme van deze associatie is niet gekend. Maar op basis van in-vitro en in-vivo studies is de hypothese dat endogene oestrogenen beschermen tegen pancreaskanker.