Hoe efficiënt is hormonale behandeling bij plaatselijke prostaatkanker?
Een groep Amerikaanse specialisten stelt die vraag niet zomaar. De eerstelijnstherapie bij een plaatselijke prostaatkanker bestaat doorgaans uit een androgeendeprivatietherapie, maar het effect ervan op de totale sterfte en de sterfte aan prostaatkanker is niet bekend. We weten echter wel dat die behandeling vrij belangrijke bijwerkingen kan veroorzaken. Daarom moeten we precieze informatie over de sterfte hebben om de patiënten goed te kunnen adviseren.
De vorsers hebben daarom een retrospectief cohortonderzoek uitgevoerd uitgaande van de gegevens over het gebruik van die geneesmiddelen en een kankerregister. De studie werd uitgevoerd bij patiënten bij wie pas een diagnose van plaatselijke prostaatkanker was gesteld. Een aantal mannen bij wie de diagnose werd gesteld tussen 1995 en 2008, heeft geen in opzet curatieve behandeling gekregen, werd gevolgd tot in 2010 en werd opgenomen in de studie (n = 15 170). De vorsers hebben alle doodsoorzaken en de sterfte aan prostaatkanker doorgenomen.
De hormonale behandeling ging niet gepaard met een hogere totale sterfte of een hogere sterfte aan prostaatkanker, ook na correctie voor sociaal-demografische en klinische kenmerken. De primaire behandeling verlaagde de totale sterfte echter wel bij mannen met een hoog risico op progressie (- 12%), maar niet de sterfte aan prostaatkanker.
Bij de meeste mannen met een klinisch plaatselijke prostaatkanker die geen in opzet curatieve behandeling krijgen, verlaagt een primaire androgeendeprivatietherapie volgens de auteurs de sterfte niet. Hoogrisicopatiënten zouden evenwel toch baat kunnen vinden bij de behandeling. De auteurs stellen dat hun studie bewijst dat de overleving van die patiënten zeer licht verbetert. De vraag is nog maar of een dergelijke studie volstaat om de praktijkvoering aan te passen.