Wat blijft er over na radiotherapie?
Amerikaanse vorsers hebben de prevalentie van persisterende prostaatkanker na radiotherapie onderzocht bij analyse van het operatiespecimen van een radicale cystoprostatectomie wegens blaaskanker jaren later.
Radiotherapie neemt een belangrijke plaats in bij de behandeling van kanker. Ongeveer 70% van de kankerpatiënten zal op een gegeven moment radiotherapie krijgen. Ongeveer de helft van de patiënten die moeten worden behandeld voor prostaatkanker, opteert voor radiotherapie. Een groep van het Memorial Sloan-Kettering Cancer Center van New York heeft het operatiespecimen onderzocht van patiënten die radiotherapie hadden gekregen voor prostaatkanker en bij wie later een radicale cystoprostatectomie moest worden uitgevoerd wegens blaaskanker. Gewoonlijk wordt een diagnose van recidief gesteld op grond van een stijging van het PSA-gehalte en niet op een biopt. Nu ze toch over de anatomische stukken konden beschikken, hebben de auteurs echter het lumineuze idee gehad om de zaken wat grondiger te onderzoeken. Gezien de selectiecriteria was het aantal patiënten uiteraard vrij laag. 78 patiënten die radiotherapie (brachytherapie en/of externe radiotherapie) hadden gekregen voor prostaatkanker, hebben daarna blaaskanker gekregen. De mediane tijd tussen de radiotherapie en de diagnose van blaaskanker was 77 maanden. Bij 45% van de patiënten werd een prostaatkanker vastgesteld met een gleasonscore van 7 of meer. In 17% van de gevallen ging het om een stadium pT3 en 5% van de patiënten vertoonde positieve klieren. Patiënten die recentelijk waren behandeld, vertoonden minder evalueerbaar prostaatkankerweefsel dan de patiënten die vroeger waren behandeld. Evalueerbaar prostaatkankerweefsel werd teruggevonden bij 100% van de patiënten die waren behandeld voor 1980, bij 49% van de patiënten die waren behandeld tussen 1980 en 2000 en slechts bij 10% van de patiënten die radiotherapie hadden gekregen na 2000. De frequentie van persisterende prostaatkanker was ook lager bij de patiënten die radiotherapie + brachytherapie hadden gekregen (17%), dan bij de patiënten die alleen brachytherapie (27%) of radiotherapie (58%) hadden gekregen. De conclusie is dat er zelfs na een goede radiotherapie nog prostaatkankerweefsel kan overblijven, ook als het PSA-gehalte vrijwel normaal is. De auteurs vestigen de aandacht op het risico op recidief en stellen dat zou moeten worden gezocht naar anders markers dan PSA om de evolutie van prostaatkanker na radiotherapie te volgen.