Seksisme bij obesitas
Geslachtshormonen, meer bepaald oestrogeen en testosteron, werken op een verschillende wijze in op het vetweefsel. Moeten we een gedifferentieerde behandeling van obesitas bij mannen en vrouwen overwegen? Dat valt voorlopig niet uit te maken, maar allicht speelt die gedachte toch mee bij de onderzoekers die metabole pathways die het verschil maken, proberen te ontrafelen.
De obesitas-epidemie blijft een heikel onderwerp. Een oplossing dringt zich op. Elke nieuwe receptor of hormoon dat in verband gebracht wordt met adipocyten lijkt het doel eindelijk binnen bereik te brengen. Maar steeds weer lopen de hooggespannen verwachtingen stuk. Terug naar af dus, en naar onderzoek dat een dieper inzicht brengt.
Inhibitie van de inhibitie
Op het congres van de Endocrine Society, eind juni in Houston (VS), werden nog een aantal nieuwe elementen toegevoegd aan het dossier, zowel over oestrogeen als over testosteron. Ter herinnering: in het adipogeneseproces treden effecten van het paracriene type op, die een invloed uitoefenen op de transformatie van vetweefselstamcellen naar pre-adipocyten en adipocyten. Differentiële effecten voor de twee groepen geslachtshormonen zijn reeds vanaf die eerste fases merkbaar. Androgenen inhiberen via hun receptoren de differentiatie van pre-adipocyten in het subcutaan abdominaal vet. Testosteron werkt trouwens ook hoger in, het inhibeert de omzetting van stamcellen binnen het vetweefsel.
De andere kant van de spiegel
Ook bij de oestrogenen is het onderzoek in volle gang. Eén van de onderzoeksrichtingen tracht te begrijpen welke factor(en) de lipolyse bij obesitas beperken. Een enzym, het 'adipose triglyceride lipase', kan een sleutel tot dit raadsel zijn. Het is bekend dat vitamine A-metabolieten, zoals retinaldehyde en retinoïnezuur, een belangrijke regulerende rol spelen in de opstapeling van vetweefsel bij vrouwen. In een studie namen researchers vetweefsel af bij muizen die een ovariëctomie of een 'blanco' operatie ondergingen. Sommige muizen behoorden tot een normale stam; andere tot een stam zonder het enzym dat verantwoordelijk is voor de aanmaak van retinoïnezuur vanuit retinaldehyde in de vetcellen. De normale muizen die een ovariëctomie ondergingen sloegen 240 % meer vet op dan de muizen die een 'blanco' operatie kregen. De concentratie aan moleculaire markers ad hoc suggereerde dat de productie van retinoïnezuur toenam bij de dieren met oestrogeenderving. Muizen zonder het enzym voor de productie van retinoïnezuur weerstonden aan deze vetopstapeling na ovariëctomie. Zoals te verwachten viel toonden de merkers een verminderde productie van retinoïnezuur. De activiteit van triglyceride lipase in het vetweefsel veranderde in omgekeerde richting.
Ieder voor zich, geen synergie
Vetcellen die uitrijpten op een kweekbodem, gestimuleerd door retinoïnezuur of retinaldehyde, reageerden met een toename van hun triglyceride lipase gehalte en een verhoogde vrijstelling van niet veresterde vetzuren. Oestrogeen veroorzaakte een vrijstellingsreactie van NEFA van hetzelfde type. Maar het toevoegen van oestrogeen en retinoïnezuur of retinaldehyde leverde geen synergistische respons op, wat suggereert dat de effector route gemeenschappelijk is. We kunnen dus besluiten dat oestrogenen het katabolisme van retinaldehyde afremmen, terwijl dat laatste de activiteit van het triglyceride lipase in het vetweefsel stimuleert. Kan dit alles ons eventueel naar therapeutische doelwitten leiden? De toekomst moet het uitwijzen.
1. Remmer van aromatase, dat androgenen in oestrogenen omzet