IKEKAD
Zolang diabetes type 1 ongeneeslijk blijft, vereist elke technologische evolutie (insulinepomp, glykemische controle) een interventie en interpretatie van de gebruiker. Educatie en begeleiding van de patiënt blijven dus erg belangrijk.
Die overweging maakt het Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid (WIV) op basis van de tweede IKEKAD- audit (Initiatief voor Kwaliteitsbevordering en Epidemiologie bij Kinderen en Adolescenten met Diabetes). Het rapport bestudeerde een staal jongeren onder de 19 jaar met diabetes type 1, behandeld in één van de 13 Belgische pediatrische diabetescentra die met het Riziv een conventie afsloten. Die overeenkomst voorziet ook in gegevensinzameling door het WIV. De onderzoekers vergeleken 2008 (n=974) met 2010 (n=1.195).
Goede score
Wat betreft procesindicatoren bleek dat voor bijna alle patiënten een waarde van HbA1c en een BMI voorhanden was. Dat gold in driekwart van de gevallen ook voor een screening op comorbiditeiten en microalbuminurie. Minder vaak screenen artsen echter op chronische complicaties, in het bijzonder retinopathie. Dat was zelfs waar in de doelgroep - adolescenten met een langere diabetesduur. Voor uitkomst- indicatoren blijkt uit dit onderzoek dat 38 % van de patiënten met een diabetesduur van meer dan een jaar het therapeutische doel van HbA1c<7,5 % haalde. Dat is internationaal een goede score. Het WIV stelt hierbij onder meer wel vast dat bij chronische ziekten de ouders een erg belangrijke rol spelen. De cijfers illustreren dit zeer goed. Jonge kinderen halen vaker (45 %) de beoogde HbA1c-waarden dan adolescenten (33 %). Het WIV verklaart dit doordat er mogelijk minder toezicht op de glykemiewaarden wordt gehouden - met vier metingen gemiddeld per dag in plaats van vijf. Dit blijft een belangrijke opvoedkundige uitdaging. De gegevens tonen trouwens aan dat ook de gezinssamenstelling een rol speelt. In een gezin waarin kinderen met diabetes type 1 samenwonen met hun biologische ouders, worden de beoogde HbA1c-waarden (41 %) significant vaker gehaald dan in éénouder- of nieuw samengestelde gezinnen (28 %).