Veranderde epidemiologie van candidaemie: ook in België?
ESCMID-congres Candidaemie blijft een belangrijke ziekenhuisgerelateerde bedreiging. Naast de meest frequente vorm, C. albicans, ziet men nu ook een toename van andere non-albicans soorten met toenemende resistentie.

Op het meest recente ESCMID-congres werden resultaten voorgesteld van het onderzoek naar de factoren die bijdragen tot de veranderde epidemiologie van candidaemie in het Universitair Ziekenhuis Leuven. Eerder werden epidemiologische data gepubliceerd met de bijhorende resistentiepatronen afkomstig van het Universitair Ziekenhuis van Luik.
Wereldwijd veranderde epidemiologie
De epidemiologie van candidaemie is de afgelopen decennia veranderd. Uit recente populatiestudies blijkt het aandeel van C. albicans van 70% tot 80% in de jaren 1980-1990 gedaald tot ongeveer 40 tot 60%. Aan de andere kant is er een toename van C. glabrata, dit vooral in Noord-Europa, de VS en Australië. In Zuid-Europa, China en Latijns-Amerika daarentegen is er vooral een toename van C. parapsilosis. Daarnaast is C. auris het voorbije decennium wereldwijd opgedoken, met een ongelijke verdeling tussen de verschillende Europese landen.
Europese data: periode 2018-2022
Tijdens een grote observationele studie (derde ECMM Candida-studie) werd de verspreiding van Candida-species en de resistentie tegen antischimmelmiddelen bij candidaemie in Europa in kaart gebracht. Analyse van 399 verzamelde isolaten, afkomstig uit 41 centra in 17 landen toonden naast C. albicans (47,1%) ook C. glabrata (22,3%), C. parapsilosis (15,0%), C. tropicalis (6,3%), C. dubliniensis en C. krusei (elk 2,3%) en nog een aantal andere soorten (4,8%). In Oostenrijk zag men het hoogste percentage C. albicans (77%), in Tsjechië, Frankrijk en het VK de hoogste frequentie aan C. glabrata (25-33%), terwijl in Italië en Turkije het hoogste aandeel C. parapsilosis werd gezien (24-26%).
Data vanuit Belgische academische ziekenhuizen
In het Universitair Ziekenhuis van Leuven (UZ Leuven) werd een retrospectieve studie uitgevoerd om de incidentie en de veranderde distributie van candidaemie samen met de onderliggende redenen voor de verandering in kaart te brengen.
Alle candidaemie-episodes in het UZ Leuven tussen 2012 en 2023 werden retrospectief geanalyseerd. Demografische, klinische en therapiegerelateerde gegevens werden samen met zaken zoals recente blootstelling aan antimicrobiële middelen en relevante comorbiditeiten uit de patiëntendossiers geëxtraheerd. Incidentiecijfers werden berekend per 10.000 patiëntdagen en per 1.000 opnames, en trends werden geëvalueerd.
Tijdens die periode werden gegevens van 934 candidaemie-episodes gebruikt, afkomstig van 841 patiënten, met een gemiddelde jaarlijkse incidentie van 1,86 per 10.000 patiëntdagen en 1,39 per 1.000 opnames. Hoewel er tussen 2012 en 2019 een significante daling van de incidentie van candidaemie werd gezien was er vanaf 2020 opnieuw een stijging, mogelijk geassocieerd met de covid-19-pandemie.
De incidentie van C. albicans daalde significant van 1,42 naar 0,86 per 10.000 patiëntdagen (OR 0,918, 95% CI 0,886-0,952; p < 0,001) gedurende de studieperiode, terwijl de incidentie van non-albicans candidaemie toenam van 0,80 naar 1,35 per 10.000 patiëntdagen.
In de periode 2017 tot 2023, werd in het Universitair Ziekenhuis van Luik een gelijkaardige studie uitgevoerd waarbij 916 isolaten uit bloed, steriele lichaamsvloeistoffen, weefsels en abcessen werden geanalyseerd. In tegenstelling tot het Europees onderzoek en de recente data vanuit het UZ Leuven werd hier geen significante shift gezien naar non-albicans soorten. C. albicans bleef de meest voorkomende soort (56%), gevolgd door C. glabrata (19%), C. parapsilosis (8%) en C. tropicalis (7%).
'Lokale verschillen in candidaemie benadrukken de noodzaak van een voortdurende candida-monitoring om de antifungale therapie gericht en efficiënt bij te kunnen sturen.'
Factoren die bijdragen aan de shift
Zowel in het Europese onderzoek als in dat van het UZ Leuven werd een duidelijke shift gezien met een afname van C. albicans en een toename van non-albicans soorten.
Er werden opvallende verschillen in de verspreiding van de soorten waargenomen tussen de verschillende Europese landen, zoals blijkt uit het aandeel van C. albicans dat varieerde van 77% tot 35,7%, en op centrumniveau, waarbij C. glabrata of C. parapsilosis de meest voorkomende soort was in zes van de 41 centra.
Hoewel de onderliggende redenen voor dit verschil niet gekend zijn, is eerder aangetoond dat vroegere blootstelling aan antimycotica en de leeftijd van de patiënt een invloed hebben op de distributie en de daaropvolgende candidaemie.
Uit het Leuvens onderzoek kwamen verschillende factoren naar voren die allemaal op een vergelijkbare manier bijdragen aan de waargenomen verschuiving: eerder gebruik van antibiotica, antimycotica of antivirale therapie, gebruik van corticoïden, een heelkundige (abdominale) ingreep in de voorbije drie maanden, een transplantatie met hoger risico bij allogene transplantatie, dialyse, diabetes, immunosuppressieve medicatie, chemotherapie en neutropenie.
Eerdere blootstelling aan antifungale middelen en ziekenhuisopname op een hematologische afdeling bleken de factoren die significant konden worden geassocieerd met candidaemie veroorzaakt door non-albicans soorten en dit onafhankelijk van de andere factoren.
Resistentie
In de ECMM-studie zag men een hoge resistentie tegen fluconazole, vooral van de non-albicans soorten: C. glabrata 12%, C. parapsilosis 17%, C. tropicalis 4%, andere Candida-soorten 20%. Alle soorten bleken wel gevoelig voor amfotericine B.
Uit het Luikse onderzoek bleek de gevoeligheid voor fluconazole hoog bij C. albicans (98,8%), terwijl C. glabrata en C. tropicalis hoge resistentiepercentages vertoonden van respectievelijk 10,1% en 16,9%. C. parapsilosis vertoonde gedurende de gehele onderzoeksperiode een stabiele gevoeligheid voor fluconazole.
Echinocandines vertoonden een uitstekende werkzaamheid (95,6-100%), en amfotericine B was effectief tegen bijna alle isolaten. Hoewel er wereldwijd en op Europees niveau een significante shift is van candidaemie door C. albicans naar non-albicans soorten, toont het onderzoek in het UZ Leuven en het UZ Luik dat er lokale verschillen zijn. Dit benadrukt de noodzaak van een voortdurende lokale epidemiologische Candida-monitoring om de antifungale therapie gericht en efficiënt bij te kunnen sturen.
Referenties:
1. Arendrup MC, Arikan-Akdagli S, et al. European candidaemia is characterised by notable differential epidemiology and susceptibility pattern: Results from the ECMM Candida III study. J Infect. 2023 Nov;87(5):428-437. doi: 10.1016/j.jinf.2023.08.001. Epub 2023 Aug 6. PMID: 37549695.
2. J. Maes, L. Cuypers, E. et al. Changing candidaemia epidemiology: research into contributing factors at a tertiary care hospital in Belgium between 2012 and 2023. Presented at ESCMID congres april 2026.
3. Cugnata S, Sacheli R, et al. Species Distribution and Antifungal Susceptibility Patterns of Invasive Candidiasis in a Belgian Tertiary Center: A 7-Year Retrospective Analysis. J Fungi (Basel). 2025 Jun 19;11(6):465. doi: 10.3390/jof11060465.