Europees Hof voor Justitie
Katholieke vereniging voor zwangerschapsadvies mag niet discrimineren
Een kerkelijke organisatie mag een werknemer niet zonder meer ontslaan als deze uit de kerk treedt. Dat stelt het Europees Hof voor Justitie in een arrest inzake een katholieke vereniging die zwangerschapsadvies verleent.
Herman Nys, em. prof. medisch recht KU Leuven
Het Europees Hof voor Justitie velde op 17 maart 2026 een arrest in het kader van een geding tussen de Duitse Katholische Schwangerschaftsberatung (een katholieke vereniging die katholiek zwangerschapsadvies verleent) en een medewerkster van deze vereniging.
De medewerkster vocht de rechtmatigheid aan van haar ontslag wegens een vermeende niet-nakoming van de verplichting tot goede trouw en loyaliteit met betrekking tot de grondslag van de vereniging.
Die vereniging "vereist van al haar medewerkers dat zij zich houden aan de regels van de Katholieke Kerk, volgens welke elke vorm van voorlichting over zwangerschap tot doel heeft het leven van het ongeboren kind te beschermen en daarom moet worden gegeven op basis van het aanmoedigen van de zwangere vrouw om haar zwangerschap voort te zetten en haar kind te accepteren."
Het arrest werd geveld na een prejudiciële vraag van het Duitse federale hof in arbeidszaken.
Gelijke behandeling
Het EU-Hof oordeelde dat het Unierecht zich onder bepaalde omstandigheden verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan een kerkelijke organisatie een werknemer kan ontslaan als deze uit de kerk treedt. Een eis voor werknemers om lid te zijn van een kerk moet op grond van richtlijn 2000/78 (gelijke behandeling) wezenlijk, legitiem en gerechtvaardigd zijn gezien de grondslag van die organisatie.
In dit geval had de organisatie andere personen in dienst die dezelfde taken uitoefenden als de ex-werknemer, zonder dat de organisatie van die personen eiste dat zij lid waren van diezelfde kerk.
Daarnaast had de werkneemster zich niet publiekelijk beziggehouden met antiklerikale activiteiten tegen de Katholieke kerk. Zij was enkel uit de kerk getreden omdat zij het niet eens was met een extra kerkbelasting die was opgelegd door het bisdom van Limburg (Duitsland).
Gelet op deze omstandigheden is het verschil in behandeling als aan de orde in deze zaak niet gerechtvaardigd. Dat was het antwoord van het EU-Hof op de prejudiciële vragen van een Duitse rechter.
Herman Nys, em. prof. medisch recht KU Leuven