Keuze van stageplaats en praktijk
Huisarts blijft rond de kerktoren hangen
Persoonlijke relaties, praktijkorganisatie en nabijheid van de woonplaats spelen een grotere rol dan financiële incentives bij de keuze van jonge huisartsen voor een praktijklocatie. Dat blijkt uit een recente studie bij Vlaamse huisartsen, gepubliceerd in het European Journal of General Practice.
Filip Ceulemans
Sommige regio’s van Vlaanderen kampen met een groter huisartsentekort dan andere. In de buurt van universitaire centra valt het tekort doorgaans mee, terwijl het probleem groter is in meer perifere regio’s. Waarom kiezen studenten na hun basisopleiding voor een bepaalde stageplaats? En wat bepaalt de keuze van hun uiteindelijke vestigingsplaats?
Die vragen legden onderzoekers van het Interuniversitair Centrum voor Huisartsenopleiding (ICHO) en de departementen huisartsgeneeskunde van de VUB en de UGent voor aan 2.706 alumni van de huisartsenopleiding aan de Vlaamse universiteiten die tussen 2014 en 2023 afstudeerden. 772 afgestudeerde huisartsen vulden de enquête in.
Interpersoonlijke factoren
Uit de resultaten blijkt dat interpersoonlijke factoren zwaar doorwegen in de keuze van een stagepraktijk. De belangrijkste elementen zijn een goede connectie met collega’s, hun persoonlijkheid en gedeelde visie op de organisatie van zorg. Ook de nabijheid van de woonplaats speelt een belangrijke rol.
Na afstuderen blijven deze factoren belangrijk, al winnen praktische overwegingen aan belang. Zo worden ook de werkplaats van de partner, de woonplaats van familie en de mogelijkheid om in een groepspraktijk te werken vaker mee in rekening genomen.
Een opvallende bevinding is dat veel jonge huisartsen in dezelfde regio blijven werken als waar ze hun opleiding volgden. In de studie werkte ongeveer 62% van de respondenten binnen 25 kilometer van hun stageplaats. Ook blijft een groot deel in zijn eerste praktijk na afstuderen (60,5%). Keuzes die tijdens de opleiding worden gemaakt, kunnen een langdurige invloed hebben op de geografische spreiding van huisartsen.
Relatie met patiënten
Naast locatie (dicht bij familie, de school van de kinderen, enz.) spelen ook organisatorische aspecten een belangrijke rol bij de beslissing om in een praktijk te blijven. Respondenten noemen onder meer een goede samenwerking met collega’s, een duidelijke praktijkorganisatie, administratieve ondersteuning en een haalbare werkdruk.
Ook de relatie met patiënten blijkt een belangrijke motivator. Continuïteit van zorg en vertrouwdheid met de patiëntenpopulatie worden vaak genoemd als reden om in een praktijk te blijven. “Ik ken de patiënten en zij kennen mij”, zegt een van de respondenten.
Omgekeerd springen conflicten met collega’s in het oog als een reden om de stagepraktijk na de opleiding te verlaten. Het kan daarbij gaan om een andere visie op de huisartsgeneeskunde, een gebrek aan loyauteit of een toxische werkomgeving. Een work-lifebalance die niet aan de verwachtingen voldoet of de voorkeur voor een grotere dan wel een kleinere praktijk zijn organisatorische argumenten die worden aangehaald om de praktijk te verlaten. Ook het financiële aspect – bijvoorbeeld een hoge eigen bijdrage in de huur van de praktijk – kan een rol spelen.
Wanneer voor een andere regio dan de stageplaats wordt gekozen, heeft dat vaak te maken met familiale omstandigheden
Familiale omstandigheden
Het hoeft echter niet steeds een negatieve keuze te zijn om de praktijk te verlaten. “Ik was altijd van plan om een eigen praktijk te starten, maar moest eerst financiële zekerheid hebben.” Sommige huisartsen kiezen ook voor een carrière in het buitenland.
Wanneer voor een andere regio dan de stageplaats wordt gekozen, heeft dat vaak te maken met familiale omstandigheden. “Mijn partner, die specialist is, weet nog niet in welke regio hij in een ziekenhuis kan gaan werken. Dat zal bepalen waar ik me vestig”, zegt één van de huisartsen. Op de vraag welke incentives hen zouden overhalen zich in een huisartsarme regio te vestigen, verkiest de helft een financiële incentive, terwijl 43% kiest voor administratieve ondersteuning. Bijna zes procent wil een combinatie van beide incentives.
De studie toont ook dat veel recent afgestudeerde huisartsen tijdelijk als vervangend arts werken. Deze tijdelijke opdrachten laten hen toe verschillende praktijkvormen en werkomgevingen te verkennen voordat ze zich definitief vestigen. Volgens de onderzoekers kan deze fase jonge huisartsen helpen om beter geïnformeerde carrièrekeuzes te maken. Nog een opmerkelijk cijfer: 16 respondenten (2,1%) hebben na het afstuderen nooit als huisarts gewerkt.
De studie peilde ook naar de workload van de huisartsen. Bijna zestig procent werkt meer dan 40 uur per week, terwijl een kwart het houdt op een werkweek van 30 à 39 uur. Voor een ruime meerderheid van de artsen (55,7%) komt die workload overeen met wat ze verkiezen. Bijna één op drie (30,5%) vindt dat de werkweek te lang duurt, terwijl tien procent aangeeft graag langer te willen werken.