Een genetische aanleg zou het risico op tuberculose verklaren

Voor de eerste keer hebben vorsers een mogelijke monogene aanleg tot tuberculose ontdekt. Mensen met een afwijking van de twee allelen van het TYK2-gen zouden vatbaarder zijn voor Mycobacterium tuberculosis, de verwekker van tuberculose.
Niet meer dan 10% van de patiënten die geïnfecteerd zijn met Mycobacterium tuberculosis, krijgt effectief tuberculose. Jaarlijks worden wereldwijd 10,4 gevallen van tuberculose gediagnosticeerd en sterven 1,7 miljoen mensen aan tuberculose. Een internationale groep heeft onderzocht waarom de andere 90% resistent is.
Aangezien een verworven immunodeficiëntie bijv. door een hiv-infectie of inname van immunosuppressiva en de mate van blootstelling aan de bacterie de vatbaarheid voor tuberculose verhogen, hebben de auteurs de hypothese geformuleerd van een genetische basis.
Bij analyse van het DNA van patiënten die tuberculose hebben gekregen, hebben ze ontdekt dat 1 op de 600 Europeanen een homozygote mutatie van het TYK2-gen draagt. Die mensen blijken vatbaarder te zijn voor een infectie met Mycobacterium tuberculosis. Het risico is dus enkel verhoogd als de twee allelen gemuteerd zijn, dus zowel het allel dat werd overgeërfd van de vader, als het allel dat werd overgeërfd van de moeder. Een homozygote mutatie blokkeert de signalisatiewegen, waarbij de interleukines IL-12 en IL-23 meespelen. Die interleukines verhogen de productie van interferon-gamma, dat de door mycobacteriën geïnfecteerde cellen vernietigt.
Die mutatie is uiteraard maar gevaarlijk bij blootstelling aan de bacterie. Dat laatste is zeer weinig waarschijnlijk in Europa. Dat zet ons meteen ook op een therapeutisch spoor: injectie van interferon-gamma.
(referentie: Science Immunology, 21 december 2018, DOI: 10.1126/sciimmunol.aau8714)