Prognose na chirurgische plaatsing aortakunstklep

Een groep uit Quebec heeft de postoperatieve echocardiografische en klinische gegevens doorgenomen van 672 consecutieve patiënten (gemiddelde leeftijd 72 jaar, 61,5% mannen) bij wie tussen 2002 en 2004 een biologische aortakunstklep was geplaatst via chirurgische weg.
In het totaal hebben 624 patiënten het ziekenhuis levend verlaten. Tijdens een mediane follow-up van tien jaar zijn 432 patiënten (64,3%) gestorven. De belangrijkste initiële kenmerken die correleerden met overlijden, waren de leeftijd, een verminderde linkerventrikelfunctie, atriumfibrillatie, COPD, een hoge bmi en diabetes.
Bij 6,6% van de patiënten werd een klinisch significante structurele degeneratie van de klep waargenomen (stijging van de gradiënt over de aortaklep met gemiddeld meer dan 20 mmHg, verkleining van het orificium van de klep met meer dan 0,6 cm² en/of optreden van een matig ernstige tot ernstige aorta-insufficiëntie). Bij 30,1% van de patiënten werd een subklinische degeneratie van de kunstklep waargenomen (stijging van de gradiënt over de aortaklep met gemiddeld meer dan 10 mmHg, inkrimping van het orificium van de aortaklep met meer dan 0,3 cm² en/of optreden van een matig ernstige tot ernstige aorta-insufficiëntie).
Een klinisch significante degeneratie van de kunstklep correleerde met een hoge bmi en plaatsing van een specifiek type bioprothese (Mitroflow) en in 83% van de gevallen diende een nieuwe klepchirurgie te worden uitgevoerd.
De onderzoekers vinden dat met die resultaten rekening zou moeten worden gehouden bij de evaluatie van de gunstige effecten van percutane vervanging van de aortaklep in termen van klinische prognose op lange termijn en levensduur van de prothese.
T Rodriguez-Gabella et al. J Am Coll Cardiol. 2018; 71:1401-12.