Veneuze trombose: NOAC of vitamine K-antagonist?

Gerandomiseerde klinische studies hebben ruimschoots de werkzaamheid en de veiligheid van direct werkende anticoagulantia (NOAC) aangetoond, maar hoe is dat in het echte leven?
In klinische studies worden verschillende patiënten vaak geweerd om gemakkelijker het bewijs te kunnen leveren van werkzaamheid, een terechte verzuchting. Klinische studies met anticoagulantia hebben daarom de rekrutering van patiënten die het hoogste bloedingsrisico lopen, beperkt of hebben dergelijke patiënten zelfs volledig geweerd. Dat heeft echter tot gevolg dat de resultaten niet meer representatief zijn voor wat er in de gewone klinische praktijk gebeurt.
Vandaar het belang van studies uitgevoerd in het reële leven zoals de retrospectieve farmaco-epidemiologische studie bij 59.525 patiënten die binnen 30 dagen na een diagnose van veneuze trombo-embolie waren behandeld met een NOAC (n = 12.489) of een vitamine K-antagonist, in casu warfarine (n = 47.036).
De patiënten werden gevolgd gedurende 90 dagen te tellen vanaf het begin van de behandeling. Tijdens die follow-up heeft 3,3% van de patiënten een bloeding vertoond en is 1,7% overleden ongeacht de doodsoorzaak.
Er werd geen verschil in sterfte tussen de twee behandelingsgroepen waargenomen (HR 0,99). Het risico op ernstige bloedingen was wat lager met NOAC dan met warfarine, maar het verschil was niet significant (HR 0,92; 95% BI 0,82-1,03).
De resultaten waren vergelijkbaar bij patiënten met chronische nierinsufficiëntie en ongeacht de leeftijd en het geslacht.