Overbruggingstherapie of niet?
Wat moet je doen bij patiënten met een atriumfibrillatie die hun behandeling met vitamine K-antagonisten tijdelijk moeten onderbreken wegens een geplande chirurgische ingreep? Moet je die patiënten een overbruggingsantistollingstherapie geven?
Douketis et al. (VS) hebben een dubbelblinde, gerandomiseerde, placebogecontroleerde studie uitgevoerd waarin de patiënten werden gerandomiseerd naar een een bridging antistollingstherapie met een laagmoleculaire heparine of een placebo. Beide werden subcutaan tweemaal per dag toegediend van 3 dagen voor de operatie tot 24 uur voor de operatie en daarna gedurende 5-10 dagen na de operatie. De behandeling met warfarine werd 5 dagen voor de operatie onderbroken en werd binnen 24 uur na de operatie hervat. De patiënten werden gedurende 30 dagen na de operatie gevolgd. De uitkomstmaten waren arteriële trombo-embolie (CVA, systemische embolie en TIA) en een ernstige bloeding.
Toch een verschil
De studie werd uitgevoerd bij 1884 patiënten, van wie 950 een placebo hebben gekregen en 934 een overbruggingsantistollingstherapie. De incidentie van arteriële trombo-emboblie was 0,4% in de groep zonder antistollingstherapie en 0,3% in de andere groep. Dat geeft een verschil in risico van 0,1% met een 95% betrouwbaarheidsinterval van - 0,6 tot 0,8 (p = 0,01 voor non-inferioriteit).
De incidentie van ernstige bloedingen was 1,3% in de placebogroep en 3,2% in de groep die een overbruggingsantistollingstherapie had gekregen. Het relatieve risico was dus 0,41 met een 95% betrouwbaarheidsinterval van 0,20 tot 0,78 (p = 0,005 voor superioriteit).
Primum non nocere
Bij patiënten met een atriumfibrillatie die worden behandeld met vitamine K-antagonisten en bij wie die behandeling voor een electieve heelkundige ingreep moet worden onderbroken, blijken de resultaten dus niet minder goed te zijn zonder dan met een overbruggingstherapie met een laagmoleculaire heparine. Het risico op ernstige bloedingen is bovendien lager zonder overbruggingstherapie.