Surfactant bij hartfalen
Bij hartlijden krijgen de longen te weinig lucht. Dat is bekend. Bestaan er biomarkers om het effect van hartfalen op de alveolocapillaire membraan te meten?
De alveolocapillaire membraan is abnormaal bij patiënten met hartfalen. Je mag dan ook redelijkerwijze aannemen dat ook de productie van surfactant verstoord is. Een groep uit Milaan heeft onderzocht of van surfactant afgeleide eiwitten (surfactant-derived proteins, SPs) en de plasmareceptor voor gevorderde glycatie-eindproducten (receptor for advanced-glycation-end-products, RAGE) correleren met afwijkingen van de alveolocapillaire membraan.
Een monnikenwerk
Ze hebben hun studie uitgevoerd bij 89 patiënten met chronisch hartfalen en 17 gezonde controlepersonen. Bij alle proefpersonen werden de volgende onderzoeken uitgevoerd: een echocardiografie, meting van de koolstofmonoxidediffusiecapaciteit (DLCO), een cardiorespiratoire test en meting van de plasmaconcentraties van immatuur SP-B (in arbitraire eenheden), matuur SP-B (in ng/ml), SP-A (ng/ml), SP-D (ng/ml) en RAGE (pg/ml). De plasmaconcentraties van immatuur SP-B, matuur SP-A en SP-D waren hoger bij de patiënten met hartfalen dan bij de controlepersonen. Dat was niet zo wat matuur SP-B en RAGE betreft. De plasmaconcentraties van immatuur SP-B, SP-A, SP-D en RAGE correleerden met de DLCO, het maximale zuurstofverbruik, de ventilatoire efficiëntie en het BNP-gehalte. Dat was niet zo wat matuur SP-B betreft. De DLCO correleerde het best met de plasmaconcentratie van immatuur SP-B. Bij multivariate analyse correleerden de plasmaconcentraties van RAGE met de leeftijd en het serumcreatinine en correleerde alleen de plasmaconcentratie van immatuur SP-B met de DLCO. Die correlatie was echter sterk.
Eindresultaat
Immatuur SP-B is dus de betrouwbaarste biologische marker van afwijkingen van de functie van de alveolocapillaire membraan bij hartfalen. Het klinische nut van meting van de plasmaconcentratie van immatuur SP-B zou verder moeten worden onderzocht.