Goede resultaten van ballondilatatie voor aortaklepstenose
Namens het team pediatrische cardiologie van de Cliniques universitaires St-Luc, UCL, Brussel, stelde dr. Nadia Zarrouk een review voor van 20 jaar ballonvalvuloplastiek als primaire behandeling van congenitale aortaklepstenose.
Congenitale aortaklepstenose komt relatief frequent voor en het debat over de primaire behandeling, chirurgie (1) of katheterisatie, is nog niet gesloten. Het doel van deze retrospectieve review (januari 1991 tot maart 2012) was de evolutie van kinderen na ballonvalvuloplastiek als eerstelijnstherapie van aortaklepstenose op lange termijn na te trekken. Het ging om 93 kinderen (1 dag tot 18 jaar oud) die werden opgedeeld naargelang het ogenblik van de ballondilatatie: 37 patiënten op 30 dagen of minder, 29 tussen 1 maand en 1 jaar en 27 na 1 jaar. 82% waren jongens en 16% had een Shone syndroom (geassocieerde hartmisvormingen).
Eerder goede resultaten
Ballondilatatie is een efficiënte ingreep want de drukgradiënt over de aortaklep daalde gemiddeld van 59 ± 12 naar 24 ± 12 mmHg, vergelijkbaar in elke leeftijdsgroep. De meest gevreesde verwikkeling, aortaklepinsufficiëntie, die voor de ingreep al bij 8% van de patiënten aanwezig was, nam na de ingreep toe tot 39%, van wie 4% graad 3 en 4.
Vijf patiënten werden uit het oog verloren, de gemiddelde follow-up was 11,4 ± 7 jaar (max. 27 jaar). De laatst beschikbare echografie toonde vrij goede resultaten: een piek gradiënt van 37 ± 18 en een gemiddelde gradiënt van 23 ± 10 mmHg. Aortaklepinsufficiëntie bleef bestaan bij 59% van de patiënten, maar slechts bij 2 patiënten was ze significant.
Overleving en herinterventie
De globale overleving was 89,2%. Vermits geen enkel kind dat na de leeftijd van 1 maand werd behandeld stierf, lopen de pasgeborenen (<1 maand) het grootste risico op sterfte na ballondilatatie. Deze sterfgevallen hadden een complexere pathologie of een linkerventrikeldysfunctie. Na de primaire katheterisatie had 66,7% geen secundaire chirurgie nodig, 58% zelfs geen chirurgie noch een tweede katheterisatie. Bij 18 patiënten was een tweede katheterisatie nodig, bij 5 nog een derde en bij 8 een secundaire chirurgische ingreep.