'Sportattest niet ondoordacht toekennen'
Bij elk nieuw geval van plotse dood bij een jonge sporter duikt de discussie over een screenings-ECG opnieuw op. Huisarts in opleiding Goedele D'Haene pleit eerder voor een grondige anamnese en uitgebreid klinisch onderzoek bij het toekennen van een sportattest.
Twee weken geleden overleed in Aalst opnieuw een jonge voetballer. Het gebeurde een kwartier voor het einde van de match. In januari werd de jonge man al eens eerder onwel tijdens het sporten. Hij werd toen doorgelicht in het Stedelijk Ziekenhuis Aalst en kreeg een attest dat hij mocht voetballen. Het voorval doet opnieuw vragen opduiken over het nut van cardiovasculaire screening bij jonge sporters. In ons land overlijden elk jaar zo'n 150 sporters aan plotse dood.
In Noord-Italiwerden competitief sportende jongeren gescreend op cardiovasculaire afwijkingen die tot plotse dood kunnen leiden. Na ECG-onderzoek daalde het risico op plotse dood bij de jongeren die voor topsport in aanmerking kwamen tot onder het niveau van een groep niet-sportende controlepersonen. Toch is niet iedereen overtuigd van de kosteneffectiviteit van systematische ECG bij jonge sporters. Hoewel cardioloog Pedro Brugada (VUB) ijvert voor een algemene screening bij 14-jarigen, ketste Vlaams gezondheidsminister Jo Vandeurzen (CD&V) eind vorig jaar het voorstel van minister van Sport Philippe Muyters (N-VA) af om 14-jarigen preventief te screenen met een rust-ECG op het CLB.
Niet ondoordacht
Een ander knelpunt is mogelijk dat huisartsen kinderen en jongeren te snel geschikt bevinden om aan sport te doen. Huisarts in opleiding Goedele D'Haene zit in haar tweede stagejaar en doet in het kader van haar thesis onderzoek naar plotse dood bij sporters. Ze wordt daarbij begeleid door Prof. Ner Claes van de Universiteit Hasselt. "De huisarts moet er altijd bij stilstaan dat het kind dat wil sporten mogelijk kan overlijden aan plotse dood. Een goede anamnese en een grondig klinisch onderzoek zijn daarbij heel belangrijk", zegt Dr. D'Haene.
"Uit de literatuur blijkt dat de huisarts steeds moet vragen naar een familiale voorgeschiedenis van hartproblemen en onverklaarde, vroege dood. Ook vragen over hartruis en over syncope of flauw zijn tijdens het sporten, behoren tot de standaard." Tijdens het klinisch onderzoek is het belangrijk om eventuele hartruis op te sporen, bloeddruk en femorale pols te meten en het syndroom van Marfan uit te sluiten.
"Over het nut van een rust-ECG bestaat heel wat controverse. Amerikaanse studies zijn eerder tegenstander, Europese eerder voorstander. Plotse dood blijft een relatief zeldzaam fenomeen. Waarschijnlijk zal het niet echt kosteneffectief zijn om screening op grote schaal toe te passen. Daarom is het ook belangrijk dat de huisarts het sportattest doordacht toekent."
D'Haene wil haar literatuurstudie nu nog toetsen aan een vragenlijst die een 400-tal huisartsen en artsen met specialisatie sportgeneeskunde hebben ingevuld. Op basis daarvan zal de huisarts in opleiding aanbevelingen formuleren.