De tijdsgebonden effecten van antipsychotica
Het tijdsverloop van de werking van antipsychotica bij schizofrenie is nog steeds slecht begrepen. Een recent, in The Lancet gepubliceerd onderzoek, tracht hier meer inzicht in te brengen.
Antipsychotica worden al meer dan zeventig jaar gebruikt bij mensen met schizofrenie. Toch zijn er nog veel vragen over het juiste tijdsverloop van de verbetering van de symptomen bij deze patiënten.
In een recente meta-analyse werden de individuele patiëntengegevens geanalyseerd afkomstig uit zes studies met een duur van zes tot twaalf maanden bij patiënten met acute schizofrenie (n = 2.079; 64% mannen en 36% vrouwen, gemiddelde leeftijd 34,7 jaar). Hierbij werden vijf PANSS-symptoomdomeinen geëvalueerd: positieve en negatieve symptomen, vijandigheid en opwinding, angst en depressie, en symptomen op het vlak van cognitie en desorganisatie. Er werden ‘time-to-response’-analyses uitgevoerd waarbij ten minste 50% symptoomvermindering vooropgesteld werd als voorwaarde om over respons te spreken.
Verschillend tijdsverloop voor de domeinen
Hoewel de symptomen parallel verbeterden, gold dit voor sommige meer en eerder dan voor andere. Binnen de eerste zes maanden namen de symptomen van vijandigheid en prikkelbaarheid gemiddeld met 76% af ten opzichte van de uitgangswaarde, de positieve symptomen verbeterden met 64%, angst en depressie met 57%, cognitie en desorganisatie met 61% en de negatieve symptomen met 50%.
De mediane tijd tot respons, gecorrigeerd voor de ernst van de symptomen bij aanvang, leeftijd en geslacht, bedroeg drie weken voor vijandigheid en opwinding, vier weken voor positieve symptomen en voor de symptomen van angst en depressie. Voor de verbetering van de negatieve, de cognitieve en desorganisatiesymptomen liep dit op tot acht weken.
Therapie niet te snel aanpassen
Er werd in alle vijf symptoomdomeinen een aanzienlijke verbetering gezien die echter gefaseerd optrad, wat belangrijke klinische consequenties met zich meebrengt: eerst wordt over het algemeen een aanzienlijke respons gezien op het gebied van vijandigheid en opwinding, vervolgens op het gebied van positieve symptomen, voordat er sprake is van een aanzienlijke verbetering op andere gebieden. De auteurs geven dan ook het advies om geen voortijdige aanpassingen in de behandeling door te voeren wanneer negatieve, cognitieve en desorganisatiesymptomen initieel nog aanhouden, aangezien de verbetering op deze gebieden later optreedt.
Onderlinge verschillen
De auteurs vermelden dat de bevindingen beperkt zijn tot producten waarvoor gegevens beschikbaar zijn (voornamelijk olanzapine, amisulpride, risperidone, quetiapine en ziprasidone), hierdoor zijn er in de analyse belangrijke hiaten, onder andere voor de partiële dopamineagonisten clozapine en xanomeline-trospium. Zo wees een dosis-respons meta-analyse uit dat partiële dopamineagonisten wél een gelijke werkzaamheid tonen voor positieve en negatieve symptomen. Clozapine heeft ook een vroegtijdig effect wat mogelijks muscarinerg gestuurd is. Het tijdsverloop van symptoomverbetering is dus wellicht anders voor muscarinerge dan voor dopaminerge geneesmiddelen.
Bron:
S. Leucht et al. Temporal course of symptom domain improvement in schizophrenia: individual participant data analysis of six antipsychotic drug trials. www.thelancet.com/psychiatry Vol 13 August 2026, 688-697