Pancreaskanker: van diagnose naar behandeling
De prognose van een adenocarcinoom van de pancreaskanaaltjes heeft een slechte prognose: mediane overleving, alle stadia samengenomen, rond de vier maanden. Een beter inzicht in de onderliggende biologische mechanismen en therapeutische innovaties bieden echter toch wat hoop.

De incidentie van pancreaskanker is de laatste jaren gestaag gestegen, vooral bij jongvolwassenen, wat minstens ten dele toe te schrijven is aan de obesitasepidemie. Andere risicofactoren zijn roken (RR 1,8), alcohol drinken (RR 1,6) en diabetes (RR 2).
Pathofysiologische mechanismen
Bij nagenoeg alle patiënten vind je een drivermutatie. De frequentste zijn mutaties van het KRAS-gen (88%) en het PT53-gen (50-75%). Die specifieke verworven mutaties spelen ongetwijfeld mee bij de pathogenese van pancreaskanker. Mutaties van de genen BRCA1 of BRCA2 kunnen erfelijke vormen van pancreaskanker veroorzaken.
We onderscheiden twee grote types pancreaskanker: het basal-like type (slechte prognose, resistent tegen chemotherapie) en het klassieke type, dat beter reageert op cytostatica.
Diagnose en evaluatie
De diagnose wordt gesteld met een biopsie van het letsel en een CT-scan met injectie van contraststof. Tweedelijnsonderzoeken zijn een MRI van de lever en een FDG-PET-scan voor beschrijving van het letsel en staging.
Meting van de marker CA 19.9 heeft enkel zin als de diagnose al gesteld is (hoge prognostische waarde), maar is niet geïndiceerd als eerstelijnsonderzoek gezien de lage specificiteit en de matige sensitiviteit (foutpositieve en foutnegatieve uitkomsten).
Voor een beslissing over de behandeling wordt genomen, moet je uitgebreide onderzoeken uitvoeren voor evaluatie van de Anatomie van de tumor (grootte, contact met bloedvaten, metastasen), de Biologie (met name CA 19.9) en de algemene Conditie van de patiënt (oncogeriatrische evaluatie) (de ABC-criteria).
Behandeling: klassieke en nieuwe behandelingen
In ongeveer de helft van de gevallen wordt de diagnose pas gesteld als er al metastasen zijn (lever, longen, peritoneum). De behandeling bestaat dan enkel in chemotherapie en comfortzorg. Naargelang van de symptomen kan je opteren voor plaatsing van een galwegprothese (bij jeukende icterus), een endoscopische derivatie (occlusie van het duodenum) en neurolyse van de plexus coeliacus (ondraaglijke pijn).
Als er geen metastasen zijn, moet je vooral nagaan hoe dicht de tumor tegen bloedvaten ligt. Dat bepaalt of de tumor al dan niet kan worden weggesneden. Als een resectie mogelijk is (15% van de gevallen) bestaat de behandeling in chirurgie plus chemotherapie (FOLFIRINOX of Gem-NabP).
De eerste resultaten die worden behaald met mitazalimab, een monoklonale antistof gericht tegen de CD40-membraanreceptor, zien er goed uit: totale overleving van ongeveer vijftien maanden. De komende jaren zullen allicht geneesmiddelen gericht tegen KRAS-mutaties worden ontwikkeld. Bijna 90% van de patiënten vertoont dergelijke mutaties.
Referentie:
Naar een presentatie van prof. Ivan Borbath, Congrès d’hépato-gastroentérologie, Cliniques universitaires Saint-Luc, Brussel, 17 januari 2026.