Het verraad aan Dr. Hans Berger
Waarom is voor een kwantitatief EEG een tweede handtekening nodig?
Mocht Greta Thunberg de auteur zijn van dit artikel, zou ze zeggen: RIZIV, schaam u! En voor één keer zou ik het met haar eens zijn.
Dr Georges Otte, neuropsychiater
Hans Berger was een man met een droom. In 1924 noteert hij in zijn dagboek: ‘Kon ik maar een soort spiegel van de hersenen maken: het elektro-encefalogram!’
Stel dat Hans Berger vandaag wakker zou worden, honderd jaar na de memorabele namiddag in Jena waarop hij voor het eerst elektroden op de schedel van zijn zoon Klaus aanbracht en, tot zijn eigen verbazing en vreugde, de elektrische activiteit van diens levende brein op papier zag verschijnen.
Stel dat men hem anno 2026 zou uitnodigen voor een rondleiding in een hedendaagse “moderne” psychiatrische kliniek of centrum, en hem daar zou uitleggen dat zijn instrument daar sinds januari volledig wordt genegeerd. Zijn totale verbijstering zou alle verwachtingen overtreffen.
De gebruikelijke excuses die zijn gidsende collega desgevallend zou debiteren als “verklaring” voor deze bizarre omissie, zouden weinig indruk maken. Te duur? Te ingewikkeld? Te weinig opgeleid personeel? Geen diagnostische evidentie? Geen daarvan houdt steek.
Een EEG-opname kost een fractie van de tijd van een MRI-sessie, vergt geen radioactieve tracer zoals een SPECT-scan, en het aflezen ervan is geen “black magic”, maar een aanleerbare klinische vaardigheid, zoals auscultatie een vaardigheid is. En wat het gebrek aan diagnostische differentiële power betreft, ligt het probleem meer bij het biologisch absurde DSM-categorisatiesysteem dan bij de milliseconde verfijnde EEG-techniek zelf.
Stop nu aub eens om steeds obstinaat een EEG of een ERP resultaat mordicus te willen zien als de lakmoesproef voor een DSM-code. Neerofysiologie detecteert op basaal neurobiologisch niveau en dus transdiagnostisch, individueel en dynamisch. Men roept om gepersonaliseerde psychiatrie, maar verwerpt het enige instrument dat zoiets echt kan realiseren. Begrijpe wie kan.
Een EEG-opname kost een fractie van de tijd van een MRI-sessie, vergt geen radioactieve tracer, en het aflezen is een aanleerbare klinische vaardigheid.
Berger noemde zijn eigen uitvinding ooit hoopvol een venster op de "psychische energie" van zijn patiënten. Vandaag zouden wij het bescheidener, maar niet minder terecht, een stethoscoop voor de hersenen kunnen noemen. Niemand vindt het vreemd dat een internist zijn stethoscoop dagelijks gebruikt. Waarom zou het dan zo vreemd zijn dat een psychiater het orgaan dat hij beweert te behandelen, beluistert? Wat hier echt “vreemd” aanvoelt, is net het feit dat het niet wordt gebruikt!
Wat Berger vermoedelijk het meest zou verbazen, is niet de verwaarlozing zelf, maar de stilte eromheen. Prof. Nash Boutros, een van de weinige stemmen die het onderwerp is blijven aankaarten, schreef er in 2006 samen met de American Neuropsychiatric Association een uitgebreid comitérapport over (Boutros, Coburn, & Lauterbach, 2006), herhaalde de vraag in 2009 vanuit een andere invalshoek (Sidhu, Balon, & Ajluni, 2009) en moest in 2017 vaststellen dat er, elf jaar na zijn eerste oproep, nog steeds niets fundamenteels veranderd was — vandaar de titel van dat laatste stuk: *The forsaking of the clinical EEG by psychiatry: how justified?* (Boutros, 2017).
En wie Berger vervolgens zou uitleggen hoe dat instrument in een land als België wettelijk is ingebed, zou zijn verbijstering met vermoedelijk meer dan anderhalve graad zien stijgen.
We overlopen kort:
Sinds 1 november 2012 erkent het RIZIV het kwantitatieve EEG en de cognitieve geëvoceerde potentialen inderdaad officieel — maar uitsluitend binnen de psychiatrie, en met een merkwaardige adder onder het gras: de nomenclatuur bepaalt letterlijk dat de verstrekking "wordt voorgeschreven en uitgevoerd door twee verschillende geneesheren-specialisten in de psychiatrie" (RIZIV, 2012).
Een psychiater die bij zijn eigen patiënt een qEEG wil laten registreren, kan dat dus niet gewoon voorschrijven; hij heeft er een collega-psychiater voor nodig om het aan te vragen. Die moet bovendien de “behandelende” psychiater zijn. Voor het klassieke EEG, waarmee de neurologie al decennia werkt, bestaat dat dubbele voorschrijvers-eis niet. En dat terwijl het uitvoeren van een qEEG zelf — in tegenstelling tot bijvoorbeeld klinische biologie of radiologie — nooit aan enig specifiek opleidings- of erkenningscriterium werd gekoppeld.
Met andere woorden: geen kwaliteitswaarborg, wel een extra bureaucratische horde, en die horde staat alleen tussen de psychiater en zijn eigen instrument. Wie dit punt herhaaldelijk heeft aangekaart bij de medische syndicaten en beroepsverenigingen — de VVP incluis — moest telkens vaststellen dat er geen inhoudelijke reactie op volgde. Geen weerlegging, geen verdediging, gewoon stilte.
Het onderscheid tussen EEG en qEEG is intussen grotendeels fictief geworden.
Als dat beroepsverdediging heet, dan is het op zijn zachtst gezegd een schrille veronachtzaming van de kernopdracht van die verenigingen. Het is bovendien een flagrante discriminatie die ingaat tegen de Grondwet. Het RIZIV neemt ongrondwettelijke besluiten: Absurdistan heeft er niets aan.
Wie Berger vervolgens zou uitleggen waarom die tweede handtekening precies voor kwantitatief EEG nodig is en niet voor een "gewoon" EEG, zou hem in nog dieper ongeloof storten. Het onderscheid tussen EEG en qEEG is intussen namelijk grotendeels fictief geworden. Vrijwel elk hedendaags EEG-toestel registreert digitaal en genereert doorgaans automatisch een frequentie- en vermogensspectrum via Fouriertransformatie — qEEG is dan ook, strikt genomen, niet meer dan de digitale verwerking die elk modern toestel al standaard uitvoert (Liu et al., 2023; Vesoulis et al., 2020).
De achterliggende regelgeving lijkt echter nog altijd uit te gaan van de neuroloog die met pen, inkt en papier een analoog spoor aflegt — een beeld dat hooguit in een museum overeind blijft. Het logge 8- of 19-kanaalstoestel van weleer is intussen gereduceerd tot een laptop of zelfs een tablet; versterkers worden kleiner en krachtiger en zitten soms rechtstreeks in de EEG-kap verwerkt, draadloos gekoppeld aan de analysesoftware (Xiong et al., 2024).
Klinische vergelijkingsstudies tonen aan dat zulke draadloze systemen met droge elektroden qua signaalkwaliteit perfect standhouden tegenover de klassieke bekabelde opstelling met gel (Hinrichs et al., 2020). Een telraam wordt ook niet apart gereguleerd naast de zakrekenmachine; het is gewoon vervangen. Dat de nomenclatuur dit onderscheid nog steeds hanteert, verraadt geen voorzichtigheid, maar onwetendheid over wat in de kliniek al lang de standaard is.
Berger zou zich, vermoed ik, hardop afvragen wat die apathie verklaart, en ik zie twee kandidaten als verklaring, hoewel geen van beide vleiend is. De eerste is de oude, onvruchtbare grens tussen neurologie en psychiatrie — een grens die het EEG historisch aan de neuroloog toewees en de psychiater ontnam, alsof elektrische activiteit iets was wat men "aan de andere kant van de gang" liet meten.
Een psychoanalyticus zou hier misschien van verdringing en tegenoverdracht spreken, van afgunst, of zelfs van operationele weerstand tegen een instrument dat ongemakkelijk dicht bij het biologische substraat kwam van wat, men vanuit Cartesiaans dualisme liever in symbolische termen besprak.
De tweede kandidaat is minder freudiaans en meer esthetisch: een instinctieve aversie voor alles wat naar techniek ruikt, tenzij die techniek een mooi plaatje oplevert. Elektrische veldtheorie, de wetten van Maxwell, weerstanden, digitale filters, RC-circuits, tijdsconstanten, ampères en voltages, kanalen en afleidingen, actieve en referentie-elektrodes; ze doen menigen huiveren.
Want daar zit de eigenlijke ironie — SPECT en fMRI, duurder, trager en methodologisch minstens even omstreden, hebben wél hun weg gevonden naar het collectieve enthousiasme van de psychiatrie. Een gekleurde hersenscan overtuigt blijkbaar waar een golvende lijn op scherm of papier alleen maar vragen — en, zo blijkt, formulieren — oproept.
En toch is precies dát wat het EEG uniek maakt: geen foto, maar een film. Waar structurele beeldvorming een moment bevriest, registreert het EEG, met een tijdsresolutie van milliseconden, de dynamische elektrofysiologie die aan cognitie, affect en gedrag ten grondslag ligt — niet-invasief, goedkoop, draagbaar en herhaalbaar aan het bed. Dat is precies waarom de farmaceutische industrie qEEG is blijven gebruiken als translationele biomarker tussen dier- en mensstudies, lang nadat de klinische psychiatrie het instrument links liet liggen (Jones, Menniti & Sivarao, 2015).
Belangrijker nog is het transdiagnostische karakter van veel EEG-parameters. Sargent en collega's (2021) toonden aan dat rustactiviteit in het EEG cognitieve functies voorspelt over diagnostische categorieën heen, eerder dan gebonden te zijn aan een DSM-etiket.
De aperiodieke "1/f"-component van het EEG-spectrum — een maat o.a. voor de balans tussen excitatie en inhibitie in corticale netwerken — laat hetzelfde fysiologische mechanisme zien bij uiteenlopende aandoeningen, van autisme tot schizofrenie en dementie (Martínez-Cañada et al., 2023). Dit is precies het soort dynamische, mechanistische informatie dat onze symptoomgerichte classificaties niet kunnen leveren.
Het is ook geen louter theoretisch nut. Swatzyna, Morrow en Collins (2024) documenteerden bij meer dan duizend therapieresistente patiënten vier EEG-afwijkingen die met de gangbare psychiatrische evaluatie volledig onopgemerkt zouden zijn gebleven, maar die mede medicatiefalen verklaarden. Hun conclusie: als we het orgaan willen behandelen, moeten we het ook onderzoeken.
En op het vlak van behandelkeuze toonden Meijs en collega's (2021) dat een EEG-gebaseerde stratificatie tussen rTMS en antidepressiva de remissiepercentages met 20 tot 40 procentpunten kon verbeteren; recenter werk bevestigt dat concordantie tussen EEG/ECG-biomarkerrapporten en de gekozen behandeling geassocieerd is met hogere responspercentages bij depressie (Provaznikova et al., 2026).
Een pleidooi dat de tekortkomingen verzwijgt, doet zichzelf oneer aan, en Berger — nauwgezet onderzoeker die hij was — zou dat als eerste beamen. Iosifescu (2020) wees erop dat een invloedrijke meta-analyse uit 2019 concludeerde dat geen enkele qEEG-marker consistent superieur bleek in het voorspellen van antidepressieve respons. Systematische reviews bij schizofrenie (Łoś & Waszkiewicz, 2026) en bij cognitieve biomarkers over diagnoses heen (Gkintoni et al., 2025) botsen telkens op hetzelfde: methodologische heterogeniteit, gebrek aan standaardisatie, te weinig multicentrische studies.
olang weinig psychiaters EEG's afnemen blijven de databanken klein en vertekend, blijven studies onvergelijkbaar en blijft de evidentie zwak. Die zwakke evidentie dient vervolgens weer als excuus om het instrument links te laten liggen.
Maar hier wringt de paradox die dit pleidooi drijft. Diezelfde reviews stellen niet dat het EEG faalt; ze stellen dat het onderzoeksveld gefragmenteerd is. Een groot deel van de publiek beschikbare EEG-data komt uit onderzoeksprojecten met homogene, geselecteerde steekproeven — niet uit de messy, comorbide, therapieresistente populatie die de dagelijkse praktijk bevolkt.
Zolang weinig psychiaters EEG's afnemen — en zolang zij die het wél willen, eerst een collega moeten vinden om het aan te vragen — blijven de databanken klein en vertekend, blijven studies onvergelijkbaar en blijft de evidentie zwak. Die zwakke evidentie dient vervolgens weer als excuus om het instrument links te laten liggen.
Geen wetenschappelijk oordeel dus, maar een deterministische attractor die onvermijdelijk resulteert in een zichzelf bevestigende neerwaartse spiraal, mede in stand gehouden door regelgeving die niemand ooit heeft hoeven verantwoorden en die bovendien een technisch onderscheid vasthoudt dat de apparatuur zelf allang heeft ingehaald.
Wat zou Berger vandaag zeggen? Waarschijnlijk niet dat men hem uit piëteit gelijk moest geven. Eerder dat, honderd jaar na zijn eerste, ongelooflijke registratie, de technologie eindelijk is ingehaald door zijn ambitie: goedkoop, draagbaar en met analysemethoden die pas de laatste jaren echt volwassen zijn geworden.
Wat ontbreekt, is niet het bewijs dat het EEG iets te vertellen heeft over de psychiatrische patiënt. Wat ontbreekt, zijn psychiaters die opnieuw bereid zijn te luisteren — en beroepsverenigingen die, voor één keer, niet in slaap vallen bij het horen van de vraag of van het formulier dat ervoor nodig is.
Wij besluiten met de gevleugelde woorden van collega Salvatore Campanella (Brugmann CHU) die in een zeer recent overzichtsartikel schrijft:
“Given the encouraging results highlighting how these electrophysiological tools may be used with regard to mental disorders, continued efforts to better implement these EEG tools into psychiatric clinical settings remains one of the most pressing challenges for neurophysiologists.”
Referenties
- Boutros, N. N. (2017). The forsaking of the clinical EEG by psychiatry: How justified? CNS Spectrums, 23(3), 196–204. https://doi.org/10.1017/s1092852917000505
- Boutros, N. N., Coburn, K. L., & Lauterbach, E. C. (2006). The value of quantitative electroencephalography in clinical psychiatry: A report by the Committee on Research of the American Neuropsychiatric Association. Journal of Neuropsychiatry and Clinical Neurosciences, 18(4), 460–500. https://doi.org/10.1176/jnp.2006.18.4.460
- Campanella S, Coffman B, Hasey G, Ingels A, Lepock J, Nicklas P, Popov V, Fisher D. One Hundred Years Later! The Current Utility of EEG Tools in Psychiatry: Some Insights and Perspectives. Clin EEG Neurosci. 2026 Jul;57(4):303-313. doi: 10.1177/15500594251399705. Epub 2025 Dec 2. PMID: 41329844.
- Gkintoni, E., Vantarakis, A., & Gourzis, P. (2025). Neuroimaging insights into the public health burden of neuropsychiatric disorders: A systematic review of electroencephalography-based cognitive biomarkers. Medicina, 61(6), 1003. https://doi.org/10.3390/medicina61061003
- Hinrichs, H., Scholz, M., Baum, A. K., et al. (2020). Comparison between a wireless dry electrode EEG system with a conventional wired wet electrode EEG system for clinical applications. Scientific Reports, 10(1). https://doi.org/10.1038/s41598-020-62154-0
- Iosifescu, D. V. (2020). Are electroencephalogram-derived predictors of antidepressant efficacy closer to clinical usefulness? JAMA Network Open, 3(6), e207133. https://doi.org/10.1001/jamanetworkopen.2020.7133
- Jones, K., Menniti, F. S., & Sivarao, D. V. (2015). Translational psychiatry—light at the end of the tunnel. Annals of the New York Academy of Sciences, 1344(1), 1–11. https://doi.org/10.1111/nyas.12725
- Liu, H., Huang, Z., Deng, B., et al. (2023). QEEG signatures are associated with nonmotor dysfunctions in Parkinson's disease and atypical parkinsonism: An integrative analysis. Aging and Disease, 14(1), 204. https://doi.org/10.14336/ad.2022.0514
- Łoś, K., & Waszkiewicz, N. (2026). Quantitative electroencephalography as a potential neurophysiological diagnostic biomarker of schizophrenia and first-episode psychosis: A systematic review of clinical implications. Frontiers in Psychiatry, 17. https://doi.org/10.3389/fpsyt.2026.1823040
- Martínez-Cañada, P., Perez-Valero, E., Minguillón, J., et al. (2023). Combining aperiodic 1/f slopes and brain simulation: An EEG/MEG proxy marker of excitation/inhibition imbalance in Alzheimer's disease. Alzheimer's & Dementia: Diagnosis, Assessment & Disease Monitoring, 15(3). https://doi.org/10.1002/dad2.12477
- Meijs, H., Lin, B., van Wingen, G., et al. (2021). A polygenic-informed approach to a predictive EEG signature empowers stratified antidepressant treatment [Preprint]. https://doi.org/10.21203/rs.3.rs-155886/v2
- Provaznikova, B., de Bardeci, M., Altamiranda, E., et al. (2026). Predictive value of EEG/ECG biomarkers for treatment response in depression [Preprint]. https://doi.org/10.64898/2026.03.25.26349315
- RIZIV/INAMI. (2012). Nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen, art. 20 — Kwantitatieve elektro-encefalografie (code 477610-477621) en cognitieve geëvoceerde potentialen (code 477632-477643) in de psychiatrie, van kracht sinds 1 november 2012.
- Sargent, K., Chavez-Baldini, U., Master, S. L., et al. (2021). Resting-state brain oscillations predict cognitive function in psychiatric disorders: A transdiagnostic machine learning approach. NeuroImage: Clinical, 30, 102617. https://doi.org/10.1016/j.nicl.2021.102617
- Sidhu, K. S., Balon, R., & Ajluni, V. (2009). Standard EEG and the difficult-to-assess mental status. Annals of Clinical Psychiatry, 21(2), 103–108. https://doi.org/10.1177/104012370902100207
- Swatzyna, R. J., Morrow, L. M., & Collins, D. M. (2024). Evidentiary significance of routine EEG in refractory cases: A paradigm shift in psychiatry. Clinical EEG and Neuroscience, 56(5), 446–456. https://doi.org/10.1177/15500594231221313
- Vesoulis, Z. A., Gamble, P., Jain, S., et al. (2020). WU-NEAT: A clinically validated, open-source MATLAB toolbox for limited-channel neonatal EEG analysis. Computer Methods and Programs in Biomedicine, 196, 105716. https://doi.org/10.1016/j.cmpb.2020.105716
- Xiong, L., Li, N., Luo, Y., et al. (2024). Sustainable development of electroencephalography materials and technology. SusMat, 4(2). https://doi.org/10.1002/sus2.195
Bronnen (regelgeving, geraadpleegd voor verificatie)
- Neurofysiologisch onderzoek psychiatrie (St.-Lucas)
- RIZIV-nomenclatuur, code 477621 (kwantitatief EEG)
- RIZIV-nomenclatuur, code 477643 (cognitieve ERP-batterij)
- Nomenclatuur EEG (ASGB, 2014)