Welke toekomst voor de niet-planbare zorg?
Op een gezamenlijk symposium bekeken Domus Medica en Wachtposten Vlaanderen of buitenlandse voorbeelden kunnen helpen om de niet-planbare zorg klaar te stomen voor de toekomst. Kan AI helpen?

Anthony Pairon: "Ik trap een open deur in als ik zeg dat de zorgvraag stijgt terwijl de zorgcapaciteit daalt. Onze maatschappij heeft een 24/7-mentaliteit, en die sijpelt door naar de zorg." De huisarts doet onderzoek naar triage en niet-planbare zorg aan de Universiteit Antwerpen, en vergeleek de organisatie daarvan in België, Nederland, Noorwegen en Denemarken.
Van dat kwartet is België het enige land met minder wachtpostlocaties dan spoedlocaties; we zijn dan ook het enige land waar het aantal contacten op spoeddiensten het aantal wachtpostcontacten overtreft. België heeft geen bindende triage of andere gatekeeper: de patiënt kan rechtstreeks aankloppen bij huisarts, wachtpost, of spoed. Dat maakt ons systeem laagdrempelig, maar ook moeilijker te beheren.
Een andere opvallende vaststelling: in Denemarken verlopen tot 60% van de wachtpostcontacten telefonisch – in België is dat een uitzondering. Tijdens de covidperiode hebben we nochtans kunnen vaststellen dat telefonische contacten voor zowel triage als consultatie kunnen werken, “maar toen de ergste covidgolven waren gaan liggen, zijn we dat weer vergeten”, zei Pairon.
'Stress op het systeem mag niet de reden zijn om te kiezen voor technologische oplossingen'
– dr. Anthony Pairon
Om de druk op wacht- en spoeddiensten te verlichten, bestaat er in sommige Europese landen een (al dan niet bindende) triage. Er zijn grote verschillen in de organisatie daarvan, en ook in wie de triage uitvoert: artsen, geneeskundestudenten, verpleegkundigen, enzovoort. Verschillende studies geven aan dat triage door verpleegkundigen veilig en kwaliteitsvol verloopt – al is er een risico op overtriage. Maar ook tussen artsen zijn er verschillen in risicotolerantie bij triage, zei Pairon.
Voorbeelden uit het buitenland tonen aan dat telefonische triage en teleconsultaties (die dan ook correct vergoed moeten worden) kunnen helpen om de druk op de niet-planbare zorg te verlichten, besloot Pairon. Maar stress op het systeem mag niet de reden zijn om te kiezen voor technologische oplossingen zonder na te denken over de kwaliteit en de doelmatigheid van zorg.
Kan AI helpen?
Triage is voor huisartsen in de praktijk minder evident dan het lijkt. Huisartsen zijn immers opgeleid om in diagnoses te denken, zegt prof. dr. Marco Blanker, huisarts-epidemioloog, terwijl triage zich richt op risicoclassificatie. In Nederland vraagt men zich dan ook af of AI-tools daarbij kunnen helpen, vertelt Blanker.
Binnen de eerstelijnszorg worden al verschillende types AI-triagetools ingezet. Sommige zijn gebaseerd op klassieke algoritmes, andere maken gebruik van taalmodellen (genre ChatGPT), en nog andere combineren beide. Blanker waarschuwde dat een taalmodel niets ‘begrijpt’, maar louter op basis van zijn trainingsdata voorspelt welke output (volgende woord) het meest waarschijnlijk is. Dat heeft implicaties voor betrouwbaarheid en verantwoordelijkheid (zie ook p. 24 in dit nummer).
Het Nederlandse platform Digizo.nu bundelt verschillende digitale triage- en consultvoorbereidingstools. “Moet ik naar de dokter?” werd dan weer ontwikkeld door huisartsen uit de regio Apeldoorn vanuit frustratie over onnodige consulten. Het geeft autonoom advies over de noodzaak van een consult, waardoor het onder de Europese MDR-regelgeving valt. Andere systemen, zoals die van Klinik AI, geven geen triage-advies maar structureren informatie voor de zorgverlener, die zelf de eindbeslissing neemt.
'De uiteindelijke beslissing moet bij de zorgverlener liggen, in samenspraak met de patiënt'
– prof. dr. Marco Blanker, huisarts-epidemioloog
Evaluaties van deze tools, onder meer door de Universiteit Utrecht, tonen een gemengd beeld – al dient opgemerkt dat de kwaliteit van de beschikbare studies doorgaans laag is, wat harde conclusies bemoeilijkt. Toch zijn er enkele tendensen zichtbaar: een mogelijke afname van de tijd per casus en een daling van het aantal contactmomenten, vooral minder inkomende telefoons. Over het effect op wachttijden is weinig gerapporteerd. Ernstige incidenten lijken zeldzaam, al blijft het aantal studies beperkt. Zowel patiënten als zorgprofessionals lijken overwegend positief, maar systematische gegevens over gebruikservaring ontbreken.
Een “ideale” AI-triage ondersteunt de patiënt bij het formuleren van zijn zorgvraag, biedt waar mogelijk zelfzorgadvies en zet de vraag alleen door naar een zorgverlener wanneer dat nodig is, stelt Blanker. De uiteindelijke beslissing moet bij de zorgverlener liggen, in samenspraak met de patiënt. Cruciaal daarbij is dat patiënten het digitale traject vertrouwen en begrijpen, zo niet bestaat het risico dat ze zich alsnog via een ander kanaal aanmelden.
Dat een deel van de bevolking niet met deze tools overweg kan, vindt Blanker geen reden om ze niet in te zetten. “Als de bevolking die digitaal vaardig is deze tools effectief gebruikt, komt er tijd en ruimte vrij voor groepen die minder digitaal onderlegd zijn. Maar je mag het gebruik ervan niet verplichten.”