Borstkanker bij nachtwerk in de zorg: een stand van zaken
Er zijn steeds meer aanwijzingen zijn voor een verband tussen nachtdiensten en borstkanker. Is de huidige hoeveelheid informatie al voldoende om tot een definitieve conclusie te komen?
Dokter Wim Van Hooste, preventieadviseur-arbeidsarts
Nachtzuster (Doe Maar, 1983)
Vorige maand verscheen er een Editorial van Hashtroudi & McElvenny in Occupational Medicine over het risico op borstkanker bij gezondheidswerkers die nachtwerk verrichten.
Een recente systematic review met meta-analyse van 12 studies constateerde weinig statistisch significante Relatieve Risico’s (Esposito et al., Occup Med, 2026). Een goed moment om een stand van zaken op te maken met recente publicaties na meer dan 30 jaar onderzoek.
Borstkanker is de meest voorkomende kanker bij vrouwen, met een global lifetime risk van 12% (Arnold et al., Breast Edinb Scotl, 2022). In Europa doet 14% van de vrouwen nachtwerk. (Eurofound, 2021).
Het bestuderen van de associatie of causaal verband is altijd een uitdaging. Borstkanker zou gelinkt zijn aan nachtwerk via een verstoring van de oestrogenen door een melatonine desynchronisatie (Sudan et al., medRxiv, 2025). Wanneer oestrogenen uit balans zijn, is dat een risicofactor voor borstkanker. Dit betekent dat er een geloofwaardige aanwijzing bestaat, maar geen definitief bewijs.
De bekende risicofactoren voor borstkanker zijn leeftijd, erfelijke belasting (BRCA1 en BRCA2), alcoholgebruik, overgewicht na de menopauze en hormonale factoren.
In 2019 klasseerde de International Agency for Research on Cancer (IARC) Working Group van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) shiftwork als ‘waarschijnlijk carcinogeen’ (groep 2A) (Lorenz et al, preprint, 2026). Dat gebeurde voornamelijk door bewijs te bestuderen verkregen uit studies bij dieren (Esposito et al., 2025).
Vijftien jaar geleden was het Relatief Risico rond 1,5. In de meest recente studies is dat maar een povere 1,1 tot 1,2 (McElvenny et al., Occup Med, 2018).
Case-control studies, in tegenstelling tot cohortstudies, vinden vaak wel effecten
Het grootste obstakel bij de review van Esposito en collega’s was dat er vele verschillende definities voor ‘nachtwerk’ gehanteerd werden. Tevens werd er vaak nachtarbeid vs. geen nachtarbeid vergeleken (Sudan, 2026). Daarenboven werden de meeste studies gedaan onder verpleegkundigen en slechts weinig andere beroepen (Li et al., Cancer Cell Internat, 2025).
Er werd geen effect aangetoond voor diverse kenmerken van nachtwerk (frequentie, duur shift, aantal shifts achter elkaar), slaap, chronotype, pre- of postmenopauze en het hebben van een volledige carrière in de nacht (Sudan et al., 2026).
In 2008 werd in Denemarken al vroeg beslist dat vrouwen met borstkanker die 20 jaar of meer in de nacht gewerkt hadden, recht hadden op compensatie (Wise, Br Med J, 2009). De rest van Europa is niet gevolgd wegens onvoldoende evidentie om te spreken van ‘beroepsziekte’.
Case-control studies, in tegenstelling tot cohortstudies, vinden vaak wel effecten (Cordina-Duverger et al., Eur J Epidemiol, 2018). Dit kan inherent zijn aan de opzet van deze studies. Toch kunnen goed uitgevoerde case-controlstudies soelaas brengen want cohortstudies duren veel langer om verband aan te tonen (Hansen & Elbæk Pedersen, J Nat Cancer Center, 2025).
Een cohortstudie vond een associatie met slaapproblemen of vermoeidheid op het werk, met name bij vrouwen van 50 jaar of ouder die drie of meer diensten achter elkaar draaiden (Shiri et al., Scand J Work Environ Health, 2026).
Er is nog nooit een duidelijke dosis-responsrelatie aangetoond. Bij het opstellen van de uurroosters wordt toch beter rekening gehouden met het verstoorde circadiaans ritme (Sudan et al., 2025).
De huidige stand van de wetenschap levert slechts suboptimaal bewijs om tot een definitief besluit te komen of nachtwerk bij gezondheidswerksters een risico vormt op borstkanker. (Lorenz et al., 2026). Er is dus momenteel onvoldoende evidentie voor een associatie tussen nachtwerk en borstkanker (Hashtroudi & McElvenny, 2026).