Vandenbroucke: "De kritiek dat de huidige nomenclatuur voor endometriosezorg onvoldoende is, nemen we ernstig"
Op zaterdag 9 mei organiseerde de Vlaamse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie het Congres Ethiek en Economie. Een belangrijke aanwezige was minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid Frank Vandenbroucke, die er enkele vragen uit de zaal beantwoordde over anonieme zaaddonoren, endometriose en de rol van de vroedvrouw.
Eerder dit jaar maakte de ministerraad bekend de verplichte anonimiteit van spermadonoren af te schaffen. Het voorstel bepaalt dat kinderen die in de toekomst uit een donatie worden geboren, vanaf hun twaalfde niet-identificeerbare gegevens van de donor kunnen opvragen, zoals haarkleur, oogkleur en lengte. Vanaf hun zestiende kunnen zij ook identificeerbare gegevens verkrijgen, waaronder naam, geboortedatum en nationaliteit. Maar hoe zal de overheid voorkomen dat in de toekomst niet-anonieme donatie psychologische schade veroorzaakt bij mensen die via een databank onbedoeld ontdekken dat ze een donorouder hebben?
“Onze fertiliteitscentra leveren medisch gezien zorg van een zeer hoog niveau. Diezelfde zorgvuldigheid moeten we ook hanteren bij de overgang van een systeem van anonieme donatie naar een systeem waarin anonimiteit niet langer vanzelfsprekend is. Vandaag kunnen mensen elkaar immers ook via DNA-databanken en andere technieken terugvinden. We leven niet meer in dezelfde context als twintig jaar geleden, en we moeten daarin mee-evolueren”, aldus de minister.
“Om dit proces zorgvuldig te begeleiden, willen we een apart, onafhankelijk orgaan oprichten met een multidisciplinair bestuur waarin onder meer ethici en psychologen vertegenwoordigd zijn. Dit orgaan zal instaan voor de volledige begeleiding: van de aanvraag van informatie en de manier waarop die wordt gedeeld, tot de psychologische ondersteuning van betrokkenen. Maar, ik blijf benadrukken; donaties uit het verleden blijven anoniem. Kinderen zullen informatie kunnen opvragen, maar de donor behoudt het recht om daar al dan niet mee in te stemmen.”
Endometriose
De endometriosezorg in ons land is momenteel versnipperd. Om tegemoet te komen aan de behoefte aan meer adequate en multidisciplinaire zorg, pleitte het Federaal Kenniscentrum voor Gezondheidszorg (KCE) in 2024 voor de oprichting van erkende endometrioseklinieken en gespecialiseerde expertisecentra. Uit de zaal klinkt de opmerking dat de toekomstige financiering van endometriosezorg echter nog altijd onduidelijk is. Want, gespecialiseerde verpleegkundigen, dataverzameling, opvolging, multidisciplinaire ondersteuning en omkadering kosten nu eenmaal geld. Hoe zal dat bekostigd kunnen worden in budgettair moeilijke tijden?
“We zijn momenteel een traject aan het uitwerken waarbij we eerst de nomenclatuur willen moderniseren. Want de kritiek dat de huidige nomenclatuur voor endometriosezorg onvoldoende is aangepast en artsen soms niet in staat stelt de nodige zorg optimaal te organiseren, nemen we ernstig. Maar zodra je gespecialiseerde centra creëert, moet je ook nadenken over een herverdeling van de financiering. Daarom verwacht ik dat we binnenkort landen met een voorstel voor een noodzakelijke aangepaste nomenclatuur.”
“Maar, ik zal hiervoor géén extra geld vrij kunnen maken buiten het budget voor de gezondheidszorg. Dus als wij extra middelen willen vrijmaken voor endometriosezorg, dan zullen we binnen het bestaande budget ruimte moeten creëren. Dat betekent dat we in andere zorgdomeinen efficiënter zullen moeten werken. Dat geldt voor artsen, mutualiteiten, kinesitherapeuten, geneesmiddelenbeleid; overal zullen we sterker moeten inzetten op doelmatigheid.”
De rol van de vroedvrouw
Een andere vraag ging over de rol van de vroedvrouw. Er werd opgemerkt dat er jaarlijks een overschot aan vroedvrouwen wordt opgeleid. Welke rol(len) wil de minister hen laten vervullen binnen het zorgproces?
“Onze gezondheidszorg kraakt en piept. We kampen met een tekort aan zorgpersoneel, dus moeten we de zorg anders organiseren en flexibeler omgaan met de taakverdeling en samenwerking. Verandering creëert altijd onrust. Zeker in sectoren waar mensen zich sterk engageren en er een grote professionele identiteit is opgebouwd. Dat geldt ook voor de geboortezorg. Gynaecologen blijven uiteraard cruciaal binnen zwangerschap en bevalling. Maar als we ook de sociale en psychologische begeleiding ernstig nemen, dan zullen vroedvrouwen daarin een grotere rol kunnen spelen, ingebed in een kwalitatief en veilig zorgmodel.”
“Ik denk dus dat vroedvrouwen absoluut meer verantwoordelijkheid kunnen opnemen binnen een goed georganiseerd zorgpad. Maar tegelijk moeten we eerlijk zijn: wanneer er complicaties optreden, moet er snel geschakeld kunnen worden. Dan heb je ervaring, infrastructuur en multidisciplinaire teams nodig. Daarom ben ik persoonlijk ook absoluut geen voorstander van thuisbevallingen. Ik geloof om die reden dat schaalgrootte en voldoende volume in de zorgpraktijk belangrijk blijven. Niet alleen voor artsen, maar eigenlijk voor alle zorgverleners. En hoe we dat moeten vormgeven? We zullen daarover om de tafel moet gaan zitten, met u, maar ook met vertegenwoordigers van de vroedvrouwen. Ik geloof niet in een streng gatekeepermodel, maar wel in een duidelijke taakverdeling. Wat precies de verantwoordelijkheid is van de huisarts, de vroedvrouw of de gynaecoloog, moeten we de komende tijd zorgvuldig uitwerken op basis van ieders sterktes”, besluit Vandenbroucke.