Raad van State verwerpt beroepen tegen weigering als PMOC
De Raad van State velde op 4 februari vier arresten waarin het beroep van vier ziekenhuizen, wiens kandidatuur tot erkenning als Pediatrisch Multidisciplinair Obesitascentrum (PMOC) door het RIZIV niet werd goedgekeurd, werd verworpen.
Herman Nys, em. prof. medisch recht KU Leuven
De eerste functie van een Pediatrisch Multidisciplinair Obesitascentrum (PMOC) is het realiseren van de multidisciplinaire, ambulante opvolging van rechthebbenden met een EOSS-P 2- of 3-inschaling.
De tweede functie is een advies- en expertisefunctie ter ondersteuning van de zorg van rechthebbenden met een EOSS-P stadium 0- of 1-inschaling op het eerste niveau.
Er zijn 24 ziekenhuizen erkend als PMOC.
De kandidatuur van de ziekenhuizen AZ Sint-Blasius, AZorg, Jan Yperman ziekenhuis en AZ Turnhout werd op basis van de geografische spreiding door het RIZIV niet in aanmerking genomen. De vier ziekenhuizen tekenden bij de Raad van State beroep aan tegen deze beslissing.
Vertrouwelijkheid van administratieve stukken
De tegenpartij, het RIZIV stelde dat de administratieve stukken gevoelige gegevens betroffen die wegens de omvang ervan niet geanonimiseerd konden worden. Daarom verzocht het RIZIV om een vertrouwelijke behandeling ervan.
Met de verzoekende partijen stelde de Raad van State vast dat de door het RIZIV weergegeven motivering van het verzoek tot vertrouwelijke behandeling van de kandidaturen van de geselecteerde ziekenhuizen, summier was. De Raad van State zag geen grond om bij tussenarrest de vertrouwelijkheid van de stukken te lichten.
Aangevoerde middelen
De ziekenhuizen voerden in hun verzoekschrift zeven middelen aan. In een eerste middel de schending van het beginsel patere legem quam ipse fecisti, het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel.
In een tweede middel de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel, het redelijkheidsbeginsel, het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel.
In een derde middel de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel.
In een vierde middel de schending van het evenredigheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel.
In een vijfde middel de schending van de formele motiveringsplicht, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ en het materiële motiveringsbeginsel.
In een zesde middel de schending van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).
In een zevende middel de schending van de artikelen 106, eerste lid, VWEU, juncto artikel 102 VWEU.
De Raad van State beoordeelde al deze middelen als niet-ontvankelijk of als ongegrond. Bijgevolg werden de beroepen verworpen.