Symposium Academie voor Geneeskunde
Naar praktijkproeven voor zorgverleners met buitenlands diploma?
Kan de erkenningsprocedure voor buitenlandse (niet-EER) zorgverleners verbeterd worden? En hoe bewaken we de kwaliteit? Over die onderwerpen organiseerde de Koninklijke Academie voor Geneeskunde van België een symposium.
Volgens de website Gezondbelgië had in 2021 ongeveer 13% van alle artsen die erkend zijn om het beroep uit te oefenen in België een buitenlands diploma. Het grootste deel van hen studeerde in een EU-lidstaat (met Frankrijk, Nederland en Roemenië op kop). Voor hen is de procedure om het diploma en de beroepsbekwaamheid te laten erkennen relatief eenvoudig.
Anders is het voor zorgverleners die een diploma behaalden in een land buiten de Europese Economische Ruimte (EER). Zij staan voor een complexe erkenningsprocedure (zie kader) waarbij instanties op verschillende beleidsniveaus oordelen over de inhoud en kwaliteit van de gevolgde opleidingsprogramma’s en over de competenties van de aanvrager.
In de praktijk stromen er zorgverleners binnen zonder dat we echt goed weten wat hun vaardigheden zijn, stelde prof. Dirk Van Raemdonck, voorzitter van de Academie. De Orde der artsen krijgt dan ook klachten over taalproblemen, de omgang met patiëntenrechten en een gebrek aan kennis van het Belgische zorgsysteem, erkende prof. Michel Deneyer, ondervoorzitter van de Nationale Raad van de Orde.
Taalkennis
Buitenlandse zorgverleners moeten de kennis van één van de drie landstalen aantonen via een taalattest (niveau C1 of ‘gevorderd’ in het Europese ERK-systeem). Die attesten weerspiegelen echter niet altijd de reële taalkennis, zei Patrick Waterbley van de Hoge Raad van artsen-specialisten en huisartsen. Het is juridisch echter moeilijk om dat als uitsluitingscriterium te gebruiken of om extra taalcursussen op te leggen.
Maartje van Vliet van het Nederlandse Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg (CIBG) wees erop dat Nederland taalcertificaten eist die maximaal twee jaar oud mogen zijn, en werkt met assessments waar de erkenningscommissie kandidaten persoonlijk evalueert. Dat assessment fungeert tegelijk als taal‑ en communicatiecheck. In Nederland kan een kandidaat wel verplicht worden een bijkomende taalcursus te volgen.
'Mensen die instromen in ons systeem moeten op een gelijke manier beoordeeld worden als het bestaande korps'
– prof. Chris Verslype, KU Leuven
Praktijkproeven
De huidige procedure in België is nogal formalistisch – 'vakjes afvinken', zo omschreef prof. Van Raemdonck het. Tijdens het panelgesprek pleitten meerdere sprekers daarom voor een systematische toetsing van kennis en vaardigheden zoals in Nederland, met OSCE (Objective Structured Clinical Examination) ‘stationsproeven’ die specifieke klinische situaties simuleren.
In België worden er al (beperkte) praktische testen en extra stages georganiseerd voor tandartsen en apothekers met een buitenlands diploma, maar dit is logistiek en financieel belastend. Om de werkdruk beheersbaar te houden, kan er gekozen worden voor een tweetrapsmodel: eerst een test van theoretische kennis, waarna alleen de succesvolle kandidaten voor praktijkproeven uitgenodigd worden.
“Mensen die instromen in ons systeem moeten op een gelijke manier beoordeeld worden als het bestaande korps”, vond ook prof. Chris Verslype, decaan van de Faculteit Geneeskunde van de KU Leuven. Maar Verslype vroeg zich af of ook het bestaande korps niet regelmatig geëvalueerd moet worden. “Ik ben een groot voorstander van de recertificering van onze zorgberoepen.”
Planningslogica
Dr. Jan Stroobants (Voorzitterscollege Erkenningscommissies) wees op een paradox: in België wordt via federale en regionale quota en subquota de toegang tot de opleiding geneeskunde en de specialisaties beperkt, terwijl die beperkingen niet gelden voor kandidaten met een buitenlands basisdiploma.
Vanuit het publiek werd benadrukt dat Europese mobiliteit juridisch niet kan worden beperkt, maar dat voor ‘derdelanders met een Europees diploma’ (bijvoorbeeld niet-EU-onderdanen met een Roemeens diploma) wel degelijk extra voorwaarden zoals stages of aanvullende controles mogelijk zijn.
Prof. Erika Vlieghe (UAntwerpen) vroeg om het debat niet te verengen tot het beperken van toegang. “We zijn terecht bezorgd over de kwaliteit van nieuw instromende zorgverstrekkers, en ik ben ook voorstander van een toetsing van hun vaardigheden en kennis. Maar omgekeerd zijn er excellente artsen die de wanhoop nabij zijn, omdat ze maanden en soms jaren op een erkenning moeten wachten. We moeten niet alleen restrictief zijn maar ook verwelkomend blijven. Buitenlandse artsen kunnen knelpuntdisciplines invullen en brengen waardevolle expertise mee.”
>> De inzichten en aanbevelingen van het symposium worden door de KAGB gebundeld in een advies voor beleidsmakers. Dit advies wordt tegen de zomer verwacht.
Lessen uit Nederland?
De erkenningsprocedure voor artsen met een buitenlands diploma die in België hun beroep willen uitoefenen, is vrij ingewikkeld. De bevoegdheden zijn namelijk verdeeld over verschillende beleidsniveaus.
Grosso modo zijn er vijf grote stappen te zetten.
1. Gelijkwaardigheidsverklaring van een buitenlands diploma. Dit is een bevoegdheid van de gemeenschappen. In Vlaanderen wordt dit gedaan door NARIC, in de Fédération Wallonie-Bruxelles door het Centre ENIC-NARIC, en de Duitstalige gemeenschap heeft een dienst ‘Gleichstellung von Diplomen'.
2. Een visum aanvragen dat toelaat het beroep uit te oefenen. Hiervoor moet de kandidaat zich wenden tot de FOD Volksgezondheid.
3. De bijzondere beroepstitel laten erkennen door de betrokken erkenningscommissie. De normering is een federale bevoegdheid; de erkenningscommissies zelf en de procedures zijn een gemeenschapsbevoegdheid.
4. Inschrijving bij de Orde der artsen.
5. RIZIV-nummer aanvragen.
De kennis van één van de drie landstalen moet aangetoond worden, maar daarbij speelt het geen rol in welk landsgedeelte de kandidaat zich wil vestigen. Een kandidaat met een taalattest Frans mag dus zich in het Nederlandstalige landsgedeelte vestigen, en vice versa.
'Menselijker en transparanter'
In Nederland werd de procedure onlangs grondig vereenvoudigd, vertelde Maartje van Vliet van het Centraal Informatiepunt Beroepen Gezondheidszorg (CIBG). Vroeger was er een dubbel traject: enerzijds de erkenning van de vakbekwaamheid en anderzijds de opname in het BIG (Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg)-register.
De aanvrager krijgt nu een casemanager toegewezen, die het proces menselijker en transparanter maakt. De procedure start met een voortraject om de kandidaat te leren kennen en te informeren over het Nederlandse zorgsysteem. “In Nederland is shared decision making bijvoorbeeld ingeburgerd. We polsen of de kandidaat bereid is om daarin mee te gaan”, zei Van Vliet. Tijdens de erkenningsprocedure mag de kandidaat al werken in de zorg, zij het onder supervisie.
Voor artsen, tandartsen en verpleegkundigen vindt er in de derde fase een beroepsinhoudelijk assessment plaats, waarbij zowel theoretische kennis als praktijkkennis getoetst worden. De beoordeling gebeurt door een onafhankelijke commissie. Er zijn drie uitkomsten mogelijk: erkenning; doorverwijzen naar een aanvullende beroepsopleiding of stage; en afwijzing.
Wie erkend wordt, kan worden opgenomen in het BIG-register, maar werkt de eerste drie maanden onder supervisie. Voor medische specialismen is nog een bijkomende erkenning nodig.
Mede door de praktijktests is de procedure duur: 8.900 euro, waarvan de kandidaat zelf 1.700 euro betaalt. Het nieuwe Nederlandse kabinet heeft overigens beslist dat de kandidaat in de toekomst de volledige kosten van de procedure draagt, vertelde Van Vliet.