Strijdtaal en kanker
Hij heeft de strijd tegen kanker verloren. Het is een zin die vaak met oprechte compassie wordt uitgesproken. Maar hoe goedbedoeld ook, de manier waarop we spreken over kanker – als een oorlog die gewonnen of verloren kan worden – draagt bij aan een schadelijke en onrealistische beeldvorming. Strijdtaal is diep verweven in hoe we over deze ziekte praten. In de media wordt deze strijdtaal overvloedig gebruikt als het over kanker gaat. Ook de vele (vaak erg gemediatiseerde) vzw’s die geld inzamelen praten vaak in oorlogstermen. We hebben het over vechten, over doorzetten, over overwinnaars en verliezers. Maar is dat terecht? En belangrijker: is het rechtvaardig?
Wanneer iemand met kanker wordt neergezet als een strijder, ontstaat het beeld dat genezing enkel afhangt van moed, doorzettingsvermogen en wilskracht. Dat wie positief blijft, die ziekte wel “onder de knie” krijgt. Maar kanker is geen vijand die je met de juiste instelling kunt verslaan. Het is een onvoorspelbare, soms wrede aandoening waar zelfs de sterkste persoonlijkheden aan onderdoor gaan. En dat is geen persoonlijke mislukking.
Wie de ziekte niet “overwint”, zou volgens deze logica gefaald hebben, niet hard genoeg gevochten, het te snel opgegeven. Dat idee is onrechtvaardig. Het legt een psychologische last op mensen die al alles op alles zetten om mens te blijven in een lichaam dat hen in de steek laat. Patiënten zijn geen soldaten. Het zijn mensen die ziek zijn, hoopvol of bang, sterk of kwetsbaar, vaak alles tegelijk.
'Soms is loslaten het moedigste wat iemand kan doen'
Ook voor nabestaanden is strijdtaal pijnlijk. Als iemand “de strijd verliest”, klinkt het alsof hij of zij niet genoeg heeft gedaan, alsof sterven een keuze of gevolg is van zwakte. Maar doodgaan aan kanker is geen nederlaag. Het is het gevolg van een ziekte die in veel gevallen buiten onze controle ligt. Als we dat blijven benoemen in termen van verlies en strijd, reduceren we het stervensproces tot een sportwedstrijd met winnaars en verliezers, in plaats van een menselijke, soms vredige, soms tragische, afronding van een leven.
Het is tijd dat we een nieuwe taal ontwikkelen voor kanker. Eentje die ruimte biedt voor de complexiteit van deze ziekte. Waarin we mogen zeggen dat iemand leeft met kanker, behandeld wordt voor kanker, of overlijdt aan kanker – zonder daar een moreel oordeel aan te hangen. Laten we praten over zorg, over kracht in kwetsbaarheid, over veerkracht in plaats van overwinning.
Niet iedereen geneest. Maar iedereen verdient het om erkend te worden in zijn of haar ervaring, zonder strijdtaal, zonder schuld. Laten we luisteren naar wat mensen zelf nodig hebben, en hen niet dwingen zich een soldatenuniform aan te trekken.
Soms is loslaten het moedigste wat iemand kan doen. En dat verdient evenveel respect als blijven vechten.
Dr. Jochen Nijs is gastro-enteroloog.