Artrose: twijfel over fysieke activiteit, bevestiging GLP-1-agonist

Als mensen over 'reuma' spreken, hebben ze het vooral over artrose. We weten nog altijd onvoldoende over artrose en de behandeling ervan laat soms ook te wensen over. Het bewijsmateriaal is beperkt en het onderzoek wordt minstens ten dele uitgevoerd op diermodellen.
Algemeen wordt aangenomen dat je met voldoende lichaamsbeweging de evolutie van artrose kan afremmen. Vorsers van de Thomas Jefferson University in Philadelphia hebben in een muizenmodel van artrose onderzocht of dat zo is in alle ziektestadia.(1)
Bij mannetjesmuizen werd een ingreep uitgevoerd met vernietiging van het kraakbeen van de mediale meniscus van de rechterknie en een nepingreep aan de linkerknie (controleknie). Daarna werden de muizen gerandomiseerd naar een sedentair leven of lopen op een loopband gedurende vier weken (vanaf de eerste dag, vier, acht of twaalf weken na de interventie).
Meerdere evaluatiecriteria o.a. wat het subchondrale botweefsel van het tibiale plateau betreft, waren significant beter bij het starten van de fysieke activiteit de dag na de ingreep dan bij de sedentaire muizen. Dat effect was echter minder groot als de fysieke activiteit na vier weken werd gestart. En als die na acht of twaalf weken werd gestart, had fysieke activiteit zelfs een schadelijk effect.
De tijdelijke verbetering is volgens de auteurs misschien te danken aan een remodellering van het bot, een belangrijke factor bij de pathogenese van artrose. Als de fysieke activiteit later werd gestart, bleek ze negatieve invloed te hebben in plaats van een beschermende werking. Vandaar de hypothese dat regelmatige oefeningen schadelijk zouden kunnen zijn in gevorderde stadia van artrose. Dat moet nu nog worden onderzocht bij de mens.
Liraglutide
Liraglutide, een GLP-1-receptoragonist met ontstekingsremmende eigenschappen, zou de vorming van chondrocyten kunnen stimuleren. Zou die ook een regenererende werking hebben als het gewrichtskraakbeen beschadigd is? Franse vorsers hebben bij muizen het effect van intra-articulaire injectie van liraglutide, dexamethason of een zout- oplossing (controlegroep) op de pijn (terugtrekken van de poten) en pathologisch-anatomisch vlak (Krenn-score voor de synoviale membraan en OARSI-score voor het gewrichtskraakbeen van de tibia en het femur) vergeleken.(2) Liraglutide had het beste effect op de drie criteria.
Die resultaten worden bijgetreden door die van de Lasare-studie, een gerandomiseerde fase I-studie uitgevoerd bij 34 patiënten in drie centra in België. Tijd dus voor een fase II-studie.
Referenties:
1. The Impact of Treadmill Exercise on Various Stages of Osteoarthritis Progression in a Murine Osteoarthritis Model. Mengcun Chen et al.
2. Beyond Pain and Inflammation: Intra-articular Liraglutide's Comprehensive Benefits on Synovial Health and Cartilage in Osteoarthritis Compared to Dexamethasone. Francis Berenbaum et al.
Betere follow-up dankzij geconnecteerde smartwatch
Evaluatie van de respons op de behandeling van reumatoïde artritis (RA) is uiteraard essentieel, maar die respons is niet altijd gemakkelijk te definiëren. Medische hulpmiddelen die gegevens verzamelen, zouden op dat vlak bijzonder nuttig kunnen zijn.
We denken daarbij hoofdzakelijk aan actigrafie in aanvulling op door de patiënt zelf gerapporteerde uitkomsten in elektronisch formaat (ePRO). Daarmee kan je in realtime gegevens genereren in de reële wereld, die dan voor farmaco-economische doeleinden kunnen worden gebruikt. De meerwaarde van die strategie was nog niet aangetoond bij RA en andere musculoskeletale aandoeningen.
Op de ACR Convergence 2024 heeft professor Jeffrey Curtis (Universiteit van Alabama, Birmingham) de resultaten gepresenteerd van een prospectieve studie uitgevoerd in 28 klinieken voor reumatologie in de Verenigde Staten. De studie is uitgevoerd bij RA-patiënten bij wie een behandeling werd gestart met upadacitinib (een januskinaseremmer) of adalimumab (een TNF-alfa-antagonist). De patiënten hebben dagelijks, wekelijks en maandelijks meerdere ePRO's ingevoerd via een app voor de smartphone (PatientSpot), gedurende gemiddeld twee minuten per dag vanaf het begin van de studie tot de nacontrole ongeveer drie tot vier maanden later.
De auteurs hebben die gegevens - al dan niet samen met de gegevens van een actigrafie met een smartwatch (Fitbit Versa 3) - verwerkt in een algoritme van machine learning. Het eindpunt van de studie was een geringe ziekteactiviteit (low disease activity, LDA) of remissie (klinische index van ziekteactiviteit < 10) bij evaluatie door een reumatoloog tijdens de follow-upcontrole.
150 patiënten hebben de studie afgewerkt. 96 patiënten hebben gegevens van de actigrafie gegeven. 62% van de patiënten vertoonde een geringe ziekteactiviteit of remissie.
Het beste model van machine learning gebaseerd op enkel de ePRO's had een positieve voorspellende waarde van 86% en een sensitiviteit van 75%. Er waren zes ePRO's nodig voor een correcte evaluatie. Na toevoeging van de passieve gegevens van de actigrafie waren de resultaten iets beter (respectievelijk 86% en 83%) en waren minder ePRO's nodig.
Volgens de auteurs is een combinatie van een minimum aan actief door RA-patiënten verstrekte gegevens en de gegevens van een actigrafie interessant bij het evalueren van de respons op behandeling met nieuwe geneesmiddelen voor RA en om de follow-up te verbeteren. Dat is een belangrijk punt, wetende dat de patiënt irreversibele letsels zou kunnen ontwikkelen als de behandeling niet tijdig wordt aangepast.
Referentie:
Use of Machine Learning to Evaluate Incremental Value of Actigraphy Data for Classifying Treatment Response in Patients with Rheumatoid Arthritis. Jeffrey Curtis et al.