Vier Vlamingen op tien verlenen informele zorg

40% van de Vlamingen (18 jaar en ouder) gaf in het voorjaar van 2024 aan minstens maandelijks informele zorg te verlenen aan een ziek, gehandicapt of bejaard familielid, kennis of buur. Nog eens 32% geeft aan dat minstens één keer per jaar te doen, maar minder dan maandelijks. Dat blijkt uit cijfers van Statistiek Vlaanderen.
Het aantal Vlamingen dat informele zorg verstrekt aan een zieke, gehandicapte of bejaarde naaste neemt jaar na jaar toe. Begin dit jaar verklaarde 40% van de Vlamingen ouder dan 18 jaar minstens maandelijks zo'n informele zorg te verstrekken. De stijging in vergelijking met 2022 en 2023 mag dan wel gering zijn (+1%), in vergelijking met 2021 is ze al wat groter (+6%).
Informele zorg wordt het vaakst verleen door 50- tot 64-jarigen (52%). Een misschien toch wat opmerkelijk gegeven: de groep van 18 tot 34 jaar verleent vaker informele zorg dan de groep van 35 tot 49 jaar, met respectievelijk 34% en 29%. Informele zorg wordt vaker verleend door vrouwen (43%) dan door mannen (38%). Nog een opmerkelijk verschil: laag- en middengeschoolden (44% en 43%) staan vaker in voor informele zorg dan hooggeschoolden (36%). Opgesplitst naar woonomgeving wordt er het vaakst informele zorg verleend in de stedelijke rand (47%), het minst vaak in grootsteden (33%).
Informele zorg wordt het vaakst verleend aan een ouder: 32,7% van diegenen die minstens maandelijks zorg verlenen. Daarna volgen de partner (16,5%), een schoonouder (9,7%), een grootouder (8,8%), een buur (8,3%), een (schoon)kind (8,1%), een (schoon)zus of (schoon)broer (4,8%) en een vriend of een vriendin (1,5%).