Medisch beroepsgeheim en preventie van foltering

In het Staatsblad van 3 mei werd de wet van 21 april 2024 tot wijziging van de wet van 12 mei 2019 tot oprichting van een Federaal Instituut voor de bescherming en de bevordering van de rechten van de mens bekend gemaakt. De wijzigende wet beoogt een zogenaamd mechanisme ter preventie van foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing in te richten.
Het Preventiemechanisme is belast met het brengen van regelmatige bezoeken aan de plaatsen waar zich personen bevinden die van hun vrijheid zijn beroofd, met als doel foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing te voorkomen. De wijzigingen treden in werking op 13 mei 2024.
Onderzoek van de toestand
Een van de opdrachten van het Preventiemechanisme bestaat in het regelmatig onderzoeken van de toestand van personen die van hun vrijheid beroofd werden en die zich bevinden in elke plaats van vrijheidsberoving teneinde, in voorkomend geval, hun bescherming tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing te versterken (Artikel 8/3, 1°).
Daartoe kan het Preventiemechanisme ook een beroep doen op externe experten zoals artsen. Het Preventiemechanisme verzamelt en verwerkt onder meer de gegevens met betrekking tot de gezondheid van deze personen, te weten de gegevens die worden bijgehouden in het kader van de medische opvolging en behandeling van de persoon die van zijn vrijheid is beroofd.
Medisch beroepsgeheim
Informatie die onder het medisch beroepsgeheim valt en betrekking heeft op een persoon die van zijn vrijheid is beroofd, wordt, met diens toestemming meegedeeld aan de arts die door het Preventiemechanisme is aangesteld. Maar 'noodzakelijke en relevante informatie' die onder het medisch beroepsgeheim valt en die betrekking heeft op een persoon die van zijn vrijheid is beroofd mag zonder diens toestemming worden meegedeeld aan de arts die door het Preventiemechanisme is aangesteld, wanneer de houder van het beroepsgeheim zulks noodzakelijk acht voor de uitoefening, door het Preventiemechanisme, van de opdracht bedoeld in artikel 8/3, 1° (artikel 8/7, § 1).