Heeft nu een derde of de helft van de artsen een stem uitgebracht?

Volgens het Riziv bracht 35,3% van alle actieve artsen een stem uit tijdens de artsenverkiezingen. Maar klopt dit cijfer wel? De algemene kritiek is dat het Riziv de noemer bij de berekening veel te hoog legt. Alleen is het niet zo gemakkelijk de juiste noemer te vinden.
De Bvas stelt dat er geen 59.000 actieve artsen zijn. Dat is het aantal waarp het Riziv de deelname berekent. In België zijn er volgens de schatting van Bvas maar 39.000 praktiserende artsen. Daarmee kom het uit op een participatiegraad van meer dan 53%.
Het is het Riziv dat moet uitmaken wie op de kiezerslijst komt - en wie er uiteindelijk allemaal meetelt voor het bepalen van de participatiegraad. Het Riziv sluit daarbij zo weinig mogelijk artsen uit. Het hanteert voor de medische verkiezingen een breed criterium van wie 'actieve' arts. Het komt erop neer dat iedere arts die niet aangeeft dat hij zijn praktijk stopt, hier nog als 'actief' wordt beschouwd.
Daardoor is de participatiegraad juist vaak opvallend laag.

De discussie over de juiste participatiegraad is zeker niet zonder belang. Volgens de cijfers van het Riziv nam in 2018 nog geen kwart van de 'actieve' artsen deel aan de verkiezingen. Die lage 'opkomst' wordt aangegrepen om in vraag te stellen of de artsensyndicaten de thans actieve artsen nog wel echt vertegenwoordigen. En of het overlegmodel zoals het er nu uitziet, niet zijn beste tijd heeft gehad. Maar hoe je het overlegmodel organiseert, heeft toch wel grote implicaties voor de gezondheidszorg.
Is wie mag meestemmen bij de medische verkiezingen niet een kwestie van een aantal doordachte keuzes? Welke groep artsen moet vertegenwoordigd zijn bij de discussies over de tarieven, en over de organisatie van de klinische praktijken? Hoe bepaal je op een pragmatische manier wie een actieve arts is?
Zou het niet beter zijn deze kwestie tegen de volgende medische verkiezingen eens echt uit te klaren? En een oplossing op de tafel te leggen van de regering die de politieke knoop moet doorhakken en in een besluit moet vastleggen wie mag stemmen, en hoe dan de deelname aan de verkiezingen wordt berekend?
Alternatieve berekeningen
Het Riziv publiceert ieder jaar statistieken van het aantal zorgverleners. Het gaat om cijfers over artsen die het recht hebben om hun prestaties aan het Riziv te rekenen, en daarnaast om cijfers van 'actieve' artsen met een 'geattesteerde praktijk' - dat zijn artsen van wie het Riziv meer dan één getuigschrift in het jaar heeft ontvangen.
Een praktisch probleem is dat het even duurt voor het Riziv die cijfers publiceert. De laatste cijfers die op de website staan gaan over het jaar 2021.
Toen telde het Riziv 50.958 artsen die het recht hadden om aan het Riziv prestaties te rekenen. Dat is inclusief artsen in opleiding - die worden wel nog eens apart geteld (het zijn er 8.873). Van de groep die recht heeft om prestaties aan te rekenen zijn er 14.615 artsen die 65 jaar of ouder zijn. Deze groep is eigenlijk erg ruim. Het is niet omdat je als arts prestaties kunt rekenen dat je dat ook nog doet.
In 2021 telde het Riziv daarnaast 37.630 artsen met een geattesteerde praktijk. Dat zijn artsen die tijdens een jaar meer dan één prestatie aan het Riziv hebben geattesteerd. In dat cijfer zouden de artsen in opleiding niet zijn opgenomen. Ook artsen die in loondienst werken, worden hier niet meegeteld. Al zouden huisartsen die geregistreerd zijn in een forfaitaire praktijk toch wel in deze cijfers zitten.
Het Riziv merkt ook op dat er artsen zijn die zorg leveren buiten de verplichte verzekering. Als voorbeeld geeft het zelf de homeopaten en osteopaten. Dat zijn dan ook geen artsen met een 'geattesteerde praktijk'.
We berekenden aan de hand van deze statistieken toch eens een alternatieve 'participatiegraad'. Daar is heel wat tegen in te brengen. Maar het benadert misschien toch al beter de werkelijkheid. En dit leidt misschien tpt een beter idee over welke keuzes er over deelname en over de berekening van de participatiegraad gemaakt moeten worden.
Een eerste belangrijke opmerking bij bovenstaande tabel: ook artsen in opleiding mogen meestemmen. Dat zijn tegenwoordig bijna 9,000 artsen. Die zitten hier niet in de noemer waarmee de participatiegraad is berekend. Je moet hen er eigenlijk ook bijtellen.

Wat als zou blijken dat aso's en haio's nog veel minder hun stem bij de verkiezingen zouden uitbrengen dan artsen met een klinische praktijk het doen? Geeft dan de vele lagere opkomst in deze groep mogelijk een vertekend beeld van de belangstelling die er bij de andere artsen leeft voor het overlegmodel?
Dat geldt ook voor andere categorieën van artsen. Zoals uit de bovenstaande cijfers blijkt is een groot deel van de zorgverleners die prestaties kunnen aanrekenen al op pensioengerechtigde leeftijd. Maar welk gedeelte van deze artsen is nog actief? Hoe groot zijn hun praktijken nog? Als ze nog een praktijk hebben, moeten ze dan ook niet kunnen meestemmen?
Wil dat dan ook zeggen dat je de hele groep van artsen van 65 jaar of ouder nog moet meetellen voor het berekenen van de participatiegraad? Vertekent ook dat dan niet sterk het beeld over de deelname van de echt nog klinisch actieve groep?
Het belang van een berekening van de participatiegraad is dat je daarmee de opkomst kunt vergelijken tussen de verschillende verkiezingen. Maar misschien is ook dat voor een stuk illusie. In de noemer die het Riziv hanteert, heeft de groep van 65-plussers over de jaren heen een steeds groter aandeel gekregen. Maar hoe groot is eigenlijk het aandeel van niet-actieve artsen in deze groep, en hoe evolueert dat? Hoe schommelt eventueel hun graad van activiteit over de tijd?
