'Contacttracing niet naar alle gemeenten doorschuiven'

Zelf contactonderzoek op touw zetten vraagt een zwaar engagement van een gemeentebestuur. Maar Zorg en Gezondheid kan onmogelijk alle clusters nog in kaart brengen. "Die [lokale] capaciteit hebben we nodig", zegt minister Beke in een webinar van de VVSG.
Het Agentschap Zorg en Gezondheid ziet drie grote scenario's waarbinnen gemeenten kunnen meewerken in de contactopsporing - WVG-minister Wouter Beke stuurde daar al eerder een mededeling over rond.
Van sensibiliseren tot beheersen
Dinsdagochtend, tijdens een webinar georganiseerd door de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten gaven hij en Dirk Dewolf, administrateur-generaal van het Agentschap - en ook programmamanager Pieter Demeester - uitleg bij de mogelijke scenario's.
Het behoort tot de basistaken van de gemeenten om de burgers - de diverse bevolkingsgroepen - te informeren over de maatregelen om covid te bestrijden, en toe te zien op de handhaving. Aandacht moeten ze hebben voor de meest kwetsbare groepen. Dat is het basisscenario.
Het beheersen van haarden van de besmettelijke ziekte - het in kaart brengen van clusters - dreigt al gauw een omvangrijke taak te worden, en de beschikbare capaciteit van het Agentschap Zorg en Gezondheid te overschrijden. Op deze manier aanvullend werken op de centrale contacttracing is het tweede mogelijke scenario.
Covid-19-teams
Half juli kregen de 60 zorgraden in Vlaanderen een draaiboek over hoe ze zich, samen met de crisismanagers van de lokale besturen, moesten voorbereiden op een uitbraak. Wouter Beke wijst op de timing om aan te geven dat samenwerking met het lokale niveau voor hem altijd al een prioriteit was.
De zorgraden zijn onmiddellijk aan de slag gegaan met het opzetten van covid-19-teams: 55 zorgraden gaven al de naam door van wie de teams gaat coördineren. Een 'medisch expert' werd al in 43 eerstelijnszones aangesteld, terwijl de oprichting van continu bereikbare permanenties volop aan de gang is.
800-nummer
Over de rol van de huisartsen in het geheel zijn de Vlaamse instanties gaan praten met Domus Medica.
Huisartsen kunnen het contactonderzoek faciliteren door hun patiënten erop voor te bereiden. Huisartsen weten welke personen ondersteuning nodig hebben, onder meer tijdens een quarantaine.
Huisartsen kunnen extra informatie doorgeven aan het Vlaamse opsporingscentrum via een eigen 0800-nummer.
Controletoren
De 'controletoren' (in de Vlaamse zorgatlas) geeft lokale besturen extra informatie over het aantal covidgevallen binnen hun gemeente. Kaartjes geven eventuele concentraties van gevallen weer. Men kan de zorgatlas alleen binnen met een wachtwoord.
De cijfers worden sneller aangevuld en zijn vollediger dan die in het dashboard van Sciensano - vollediger omdat ze ook gevallen bevatten waar de huisarts niet op het resultaat van een test wacht om een patiënt toch als positief te beschouwen.
Handhaving
Het Vlaamse centrum voor contactopsporing deelt geen persoonsgegevens met de besturen. Maar de medische expert van de Zorgraden, die gebonden is aan een beroepsgeheim, krijgt die gegevens wel. 'Harde handhaving' van een quarantainebevel kan eventueel worden georganiseerd via een 'casusoverleg'.
(De harde handhaving door bijvoorbeeld politie staat tegenover 'zachte handhaving', dat is ondersteuning door bijvoorbeeld OCMW's van mensen die in quarantaine worden geplaatst.)
Autonoom
Gemeenten die dat willen, kunnen hun eigen contactonderzoek opzetten. "Maar dat is geen taak die we op de gemeenten willen afschuiven", zegt Beke. Baas van het Agentschap Zorg en Gezondheid Dirk Dewolf onderstreept wel dat gemeenten die dat willen doen een overeenkomst met het Agentschap moeten tekenen.
Indexpersonen moeten niet twee keer gecontacteerd worden - een keer door een contacttracer van de gemeente, een tweede keer door een van de Vlaamse centrale. Er moeten ook geen "gaten in de kaas" komen: de resultaten van de contacttracing moeten in de centrale databank terechtkomen, of die nu lokaal of centraal zijn verzameld.
Gemeenten die autonoom contactonderzoek opzetten, moeten beseffen dat ze daar nog een hele tijd kunnen aan vastzitten. Ze moeten ook voldoende flexibel zijn om als het aantal gevallen nog stijgt, die te blijven opvangen.
Per eerstelijnszone?
Er moet met vertrouwensclausules worden gewerkt, en men moet beseffen dat een quarantaineattest juridisch kan aangevochten worden door bijvoorbeeld een zelfstandige die daardoor zijn activiteit moet stopzetten.
Voor de opleiding zijn e-learningpakketten beschikbaar. Maar het Agentschap Zorg en Gezondheid is nu niet in staat om opleidingen voor externe contacttracers te verzorgen.
Gemeentebesturen gaan het best met de Zorgraad en met de lokale huisartsenkring rond de tafel zitten om uit te maken op welk niveau zij willen samenwerken met de Vlaamse overheid. De keuze maken ze volgens dr. Dewolf het beste samen met alle gemeenten van een of meer eerstelijnszones.
Huisbezoekers
Pieter Demeester ging onder meer in op het werken met een 'pool van huisbezoekers'. Dat is een praktijk die in sommige gemeenten al bestaat. Het Agentschap probeert dat wat te structureren zodat het met steunmaatregelen kan komen, maar zeker niet te strak om de gemeenten de nodige vrijheid te geven in de manier waarop ze dit organiseren.
De huisbezoekers kunnen mensen met covid ondersteunen tijdens de quarantaine. Ze kunnen helpen bij het contactonderzoek door de mensen erop voor te bereiden of zelfs informatie te rapen bij complexe clusters.
De huisbezoekers kunnen ingeschakeld worden door de huisarts of door noodplanningsambenaar. Ze hebben het best het profiel van een maatschappelijk werken. Buurtwerkers of straathoekwerkers kunnen ingeschakeld worden.
Men moet kunnen rekenen op de kwaliteit van de informatie die ze leveren, want de conclusies die men trekt kunnen belangrijke gevolgen hebben. De rol van een huisbezoeker is niet vrijblijvend. Ze moeten de voorschriften naleven, de geheimhouding zeker respecteren, en zichzelf afdoende beschermen tegen besmetting.
Digitale opleidingen en schriftelijk instructiemateriaal zijn beschikbaar. Een pool stelt de gemeente beter samen in overleg met de Zorgraad én de huisartsenkring.
Commissie vraagt Beke uit
Dinsdagnamiddag werd minister Beke over hetzelfde onderwerp op de rooster gelegd door de Commissie Welzijn van het Vlaams Parlement. Volgens de minister wordt nog wekelijks belangrijke vooruitgang geboekt met de centrale contacttracing.
Tussen het afnemen van de test en het afhandelen van de contact tracing (doorgeven van de indexpersoon aan de field agent voor opvolging) verstrijken mediaan 54 uur. De contacttracing - van het initieel inbrengen van de persoon in de databank tot het leggen van telefonisch contact of het doorgeven van het contact aan de field agent - neemt mediaan 5 uur in beslag.
Winst kan dus vooral geboekt worden op de tijd die er verstrijkt tussen het afnemen van de test en het melden van een resultaat in de Sciensano-databank voor de contacttracing (Genesys). Federaal minister Maggie De Block wil dat de labs het resultaat meedelen binnen het uur nadat het resultaat van de analyse bekend is.
Vandaag zit daar een grote variatie op, weet Beke. Maar 31% van de labs deelt het resultaat effectief binnen het uur mee - als men ze vier uur geeft, voldoet vandaag 36%.
Beke onderstreept dat hij daar als Vlaams minister maar weinig vat op heeft. Maar hij overweegt wel om de eerstelijnszones inzage te geven in hoe lang de verschillende laboratoria erover doen.
De minister kon op een aantal vragen niet echt een antwoord geven. Zo duurt een oproep voor contacttracing nu gemiddeld een kwartier. Waarom de Vlaamse contacttracers zo ver onder het Europese gemiddelde van één uur blijven, en wat er tijdens het gesprek precies besproken wordt, liet hij onbeantwoord.