Bemoedigende cijfers over nazorg suïcide

Vlaamse huisartsen zijn niet optimaal op de hoogte van de zorgbehoeften van patiënten die een suïcidepoging ondernamen. De kwaliteit van de nazorg van huisartsen voor patiënten na een suïcidepoging is relatief goed.
Van huisartsen wordt verwacht dat ze nagaan hoe sterk de suïcidale neigingen van hun risicopatiënten zijn, zonder de relatie met hun patiënt in gevaar te brengen. Na een suïcidepoging moeten ze een constructief partnerschap aangaan met de patiënt en zijn omgeving, om herhaling te voorkomen.
Maar huisartsen zijn niet altijd optimaal op de hoogte van de zorgbehoeften van risicopatiënten. Dat blijkt uit de registratie in 105 Vlaamse huisartsenpeilpraktijken die liep tussen 2013 en 2016.
Lacunes in informatie
De peilartsen gaven relatief vaak geen informatie over vier kenmerken van de betrokken patiënten:
- 11% gaf geen antwoord op de vraag of suïcidegevaar merkbaar was bij patiënten die ze zagen in de maand voorafgaand aan de poging;
- 9% wist niet of de patiënt al eerder een poging ondernam;
- 23% bleef het antwoord schuldig over de zorg in de follow-upperiode die de patiënt kreeg in de geestelijke gezondheidssector;
- 22% gaf ten slotte verstek bij de vraag of de patiënt een nieuwe (fatale) suïcidepoging ondernam.
Vooral bij oudere patiënten ontbrak een evaluatie van het suïciderisico relatief vaak.
Peilartsen waren beter op de hoogte van de nazorg die hun patiënten kregen van andere zorgverleners als ze zorginformatie hadden gekregen van het ziekenhuis waar de patiënt naartoe was gebracht naar aanleiding van de poging. Dat was het geval bij 68% van de betrokken patiënten.
Nazorg
De surveillance werd afgestemd op de nieuwe aanbevelingen voor de zorgverleners in het kader van het Vlaamse Actieplan Suïcidepreventie. Daaruit werden drie kwaliteitscriteria gedistilleerd voor de nazorg door huisartsen voor suïcidepogers: verwacht wordt dat ze contact hebben met hun patiënt na de suïcidepoging, dat ze ook contact hebben met iemand uit de onmiddellijke omgeving van de patiënt en dat ze opvolgafspraken maken.
De peilartsen zagen ruim 90% van de patiënten terug in de opvolgperiode, in 63% van de gevallen had de peilarts contact met iemand uit de onmiddellijke omgeving van de patiënt en met 43% van de patiënten werden opvolgafspraken gemaakt.
Alles samen voldeed de nazorg voor 28% van de pogingen aan alle drie kwaliteitscriteria. Vooral 65-plussers en patiënten met een peilarts in randstedelijk gebied kregen relatief betere nazorg van hun huisarts na de suicidepoging. De onderzoekers noemen deze resultaten bemoedigend.
Toch vinden ze het aan te bevelen dat met de huisartsen als groep wordt nagegaan hoe de ondersteuning voor de eerste lijn nog beter kan verlopen. De aanbevelingen in het kader van het IPEO-project (Advies Suïcidepreventie voor Huisartsen en Andere hulpverleners of ASPHA) vindt men nog steeds terug op https://www.zelfmoord1813.be/aspha.
Peilpraktijken
Tussen 2013 en 2016 rapporteerden 105 Vlaamse praktijken uit het Belgische Netwerk van Huisartsenpeilpraktijken wekelijks alle suïcidepogingen waarmee ze in hun dagelijkse praktijk te maken hadden. Jaarlijkse statistieken tonen dat er weinig verschil is tussen de peilartsen en de andere huisartsen in Vlaanderen.
In totaal gaat het over 245 suïcidepogingen van naar schatting 233 personen. Ongeveer 8 maanden na de poging rapporteerden de peilartsen opvolggegevens over bijna alle suïcidepogingen (244 van 245).
Het onderzoeksrapport, gepubliceerd in BMJOpen, kunt u hier volledig lezen.