Geen extra secundaire tumoren na radiotherapie bij borstsparende chirurgie

In deze studie werd het voorkomen van secundaire maligne tumoren nagegaan bij 755 vrouwen met een mediane leeftijd van 55 jaar (25-89 jaar), die omwille van een ductus carcinoma in situ (135 patiënten) of een stadium I - II borstcarcinoma (620 patiënten) in de periode 1992-2001 een borstsparende chirurgie ondergingen gevolgd door een bestraling van de volledige borst (60-68 Gray). Bijkomende behandelingen bestonden uit hormonale therapie en/of chemotherapie naargelang het klinisch voorkomen.
De kans op secundaire maligne tumoren (die gegroepeerd worden per regio) werd vergeleken met de waarschijnlijkheid dat de betreffende secundaire maligne tumoren zouden voorkomen bij een 55-jarige vrouw volgens de 'USA Surveillance, Epidemiology, and End Results Program (SEER)'.
De mediane follow-up voor alle patiënten, vanaf de start van de radiotherapie, bedroeg 13,8 jaren (gemiddeld 12,7 jaren, range 0,1-23,6 jaren). De 5-, 10-, 15- en 20-jaarratio's om een secundaire maligne tumor te ontwikkelen waren 3,4; 7,3; 12,0 en 15,1%. Dat is vergelijkbaar met SEER: respectievelijk 5,0; 8,4; 12,1 en 15,9%.
De meest voorkomende secundaire maligne tumortypes waren gynaecologisch (22 patiënten: 12 baarmoederkankers, 9 ovariumtumoren en een baarmoederhalstumor), gastro-intestinaal (12 patiënten: alle tumoren buiten het bestralingsveld), melanomen (10 patiënten: alle tumoren buiten het bestralingsveld), hoofd/hals (10 patiënten: 6 thyroïd, 3 parotis, en 1 niet-gespecificeerde hoofd- en halskanker), long (7 patiënten), leukemie (6 patiënten) en lymfomen (5 patiënten).
Alhoewel het algemeen risico op secundaire maligne tumoren niet verschilt van de controlegroep bemerken we, in vergelijking met SEER, toch een verhoogde prevalentie van gynaecologische tumoren na 5, 10, en15 jaar (p < 0.03), en voor melanomen na 10, 15, en 20 jaar (p< 0,03). Er werden geen verschillen in risico weerhouden wat betreft het ontwikkelen van secundaire hoofd- en halstumoren, longkankers, leukemie of lymfomen.
De kans op secundaire maligne tumoren neemt niet toe met de bestralingsdosis (60-63 Gy versus > 63 Gy: respectievelijk na vijf jaar 4,7% (95% CI; 2,7-8,1) versus 3,3% (95% CI; 1,8-5,9) en na tien jaar 9,1% (95% CI; 6,1-13,6) versus 8,6 (95 % CI; 5,8-12,6).
Hoewel er een statistisch significant risico werd waargenomen voor gynaecologische tumoren en melanomen zijn deze tumoren niet te wijten aan de behandeling en is de algemene incidentie van secundaire maligne tumoren niet toegenomen na radiotherapie bij borstsparende chirurgie.
Kushner, C. J., Hwang, W-T., Wang, S. Et al.: Long‑term risk of second malignancies in women after breast conservation therapy for ductal carcinoma in situ or early‑stage breast cancer. Breast Cancer Research and Treatment (2018) 170:45-53. https://doi.org/10.1007/s10549-018-4729-7.