Bevestiging voor het ontstaan van allergie bij jonge kinderen

Meer dan 790.000 kinderen, de helft meisjes, werden van bij de geboorte tot mediaan 4,6 jaar opgevolgd om na te trekken of het gebruik van zuuronderdrukkende medicatie (histamine 2-receptorantagonist, H2RA, of PPI) of antibiotica in de eerste zes levensmaanden leidde tot een allergie. Dat zou de rol van het microbioom in het optreden van allergie moeten verduidelijken.
Rekrutering verliep vanaf 2001 tot 2013, binnen de 35 dagen na de geboorte tot maximum een jaar, waarbij pasgeborenen die langer dan zeven dagen in de materniteit bleven of een allergie ontwikkelden in de eerste zes levensmaanden werden uitgesloten. Het eindpunt allergie werd gedefinieerd als voedselallergie, anafylaxie, astma, atopische dermatitis, allergische rhinitis, allergische conjunctivitis, urticaria, contactdermatitis, allergie voor medicatie, of een andere allergie.
In de eerste zes levensmaanden kreeg 7,6% een H2RA en 1,7% een PPI voorgeschreven. De gecorrigeerde HR waren respectievelijk 2,18 en 2,59 voor voedselallergie, 1,70 en 1,84 voor medicatie-allergie, 1,51 en 1,45 voor anafylaxie, 1,50 en 1,44 voor allergische rhinitis, en 1,25 en 1,41 voor astma. Voor de 16,6% kinderen die een antibioticum hadden gekregen, was het risico 2,09 voor astma, 1,75 voor allergische rhinitis, 1,51 voor anafylaxie en 1,41 voor allergische conjunctivitis.
Kortom, er is wel degelijk een associatie tussen de inname van zuuronderdrukkende medicatie en antibiotica in de eerste zes levensmaanden en het ontwikkelen van allergie in de kinderjaren. De auteurs besluiten dan ook dat deze medicatie alleen aan te wenden is als het klinische voordeel duidelijk vaststaat.
Mitre E et al. Association Between Use of Acid-Suppressive Medications and Antibiotics During Infancy and Allergic Diseases in Early Childhood. JAMA Pediatr. Published online April 2, 2018. doi:10.1001/jamapediatrics.2018.0315.