Chirurgie vs. observatie bij plaatselijke prostaatkanker

Na een follow-up van bijna 20 jaar van mannen met een plaatselijke prostaatkanker bleek de sterfte niet significant lager te zijn na chirurgie dan na observatie. Chirurgie veroorzaakte echter vaker bijwerkingen dan observatie.
In de PIVOT-studie werden 731 mannen tussen november 1994 en januari 2002 gerandomiseerd naar een heelkundige ingreep (n = 364) of observatie (n = 367). De gegevens over de totale sterfte en de sterfte aan prostaatkanker werden nu bijgewerkt tot in augustus 2014 (spreiding 12 tot 19,5 jaar).
Tijdens een mediane follow-up van 12,7 jaar zijn 61,3% van de patiënten in de chirurgische groep en 66,8% van de patiënten in de observatiegroep overleden (HR = 0,84, p = 0,06). Respectievelijk 7,4% en 11,4% van de patiënten zijn gestorven aan de prostaatkanker of aan de behandeling ervan (HR = 0,63, p = 0,06). De mediane overleving bedroeg respectievelijk 13,0 en 12,4 jaar (geen significant verschil).
Het aantal patiënten met urine-incontinentie (p < 0,0001 na 1, 2, 5 en 10 jaar), erectiestoornissen (p < 0,01 na 1, 2, 5 en 10 jaar) en seksuele stoornissen (p < 0,05 na 1, 2 en 5 jaar) was hoger in de chirurgische groep. De frequentie van tumorprogressie tot slot was lager na chirurgie: 40,9% tegen 68,4% van de patiënten (HR = 0,39, 95% BI = 0,32-0,48). Meestal ging het dan om een plaatselijke, asymptomatische tumorprogressie.
Wilt TJ et al. Follow-up of Prostatectomy versus Observation for Early Prostate Cancer N Engl J Med 2017; 377:132-142. DOI: 10.1056/NEJMoa1615869 http://www.nejm.org/doi/full/10.1056/NEJMoa1615869