Inhalatiecorticosteroïden en risico op pneumonie
Tot nog toe was niet iedereen overtuigd van dit verband. Een Canadese onderzoeksgroep tracht de ongelovige thomassen te overtuigen met een studie waarin de inhalatiecorticosteroïden werden stopgezet.
Langdurig gebruik van inhalatiecorticosteroïden bij COPD, vooral in combinatie met langwerkende bronchodilatatoren, zou het risico op pneumonie verhogen.
Onderzoekers uit Quebec hebben het probleem op een andere manier benaderd. Ze hebben onderzocht of de stopzetting van inhalatiecorticosteroïden bij COPD-patiënten invloed heeft op de incidentie van pneumonie. Ze zijn daarvoor uitgegaan van de gegevens over de ziekteverzekering in Quebec. Ze hebben alle patiënten geselecteerd die tussen 1990 en 2005 een behandeling met inhalatiecorticosteroïden waren gestart. Die patiënten werden gevolgd tot in 2007 of tot optreden van een ernstige pneumonie (een pneumonie met fatale afloop of waarvoor de patiënt in het ziekenhuis werd opgenomen).
Na een gemiddelde follow-up van 4,9 jaar hebben 14.020 van de 103.386 patiënten van de cohorte een ernstige pneumonie ontwikkeld. De incidentie van ernstige pneumonie bij de patiënten die de inhalatiecorticosteroïden hadden stopgezet, bleek 37% lager te zijn dan bij de patiënten die nog altijd inhalatiecorticosteroïden gebruikten (95% BI 34-40%). Het risico daalde snel en was al duidelijk lager na een maand (- 20 %). Vier maanden na stopzetting van de inhalatiecorticosteroïden was het risico zelfs gedaald met 50%.
Het risico daalde meer bij gebruik van fluticason (met 39-46%) en minder bij gebruik van budesonide (met 3-22%). Dat strookt met het vermoeden dat het risico op pneumonie lager is met budesonide.