Astma en COPD, geen zekerheidsdiagnose met de kliniek alleen
Een objectieve bevestiging van een tijdelijke of blijvende bronchusobstructie is essentieel om een verkeerde diagnose van astma of COPD te vermijden.
Dat was al aangetoond bij patiënten in een stabiele toestand. Deze studie leert dat zelfs een voorgeschiedenis van frequente ernstige exacerbaties geen diagnostische zekerheid biedt.
De auteurs hebben een cohortonderzoek uitgevoerd bij 333 patiënten met frequente exacerbaties (gemiddeld 3,4 ± 2,8 per jaar). Louter op grond van de kliniek was bij 171 patiënten een diagnose gesteld van astma en bij 162 een diagnose van COPD.
Bij 87 van de 333 patiënten werd helemaal geen bronchusobstructie vastgesteld en bij 41 patiënten werd een andere obstructieve longaandoening gediagnosticeerd dan astma of COPD. Bij 36% van de patiënten was dus een verkeerde diagnose gesteld. Dat plaatst toch vraagtekens bij het klinische 'fingerspitzengefühl'.
Twee onafhankelijke risicofactoren van een verkeerde diagnose waren het niet systematisch uitvoeren van een spirometrie (relatief risico op een verkeerde diagnose van astma en COPD respectievelijk 2,8 (p = 0,02) en 10,7 (p = 0,005) keer hoger) en het aantal pakjesjaren, maar dat laatste alleen voor COPD en dan nog maar in beperkte mate (het relatieve risico op een verkeerde diagnose was gemiddeld maar 5% hoger, p = 0,03).
Moraal van het verhaal, een spirometrie is nodig, ook als de kliniek suggestief is.