Community acquired pneumonie, welke antibiotica?
Bij een klinisch vermoeden van ongecompliceerde community acquired pneumonie schrijven we empirisch antibiotica voor. Er zijn echter maar weinig gegevens die de arts kunnen helpen bij maken van een keuze.
Nederlandse onderzoekers hebben de moed gehad om de frequentste drie schema's onderling te vergelijken: een ß-antibioticum in monotherapie, een ß-antibioticum + macrolide en een chinolon in monotherapie.
Die drie schema's werden uitgetest tijdens drie opeenvolgende perioden van 4 maanden. Het primaire eindpunt was de sterfte na 90 dagen. De studie werd uitgevoerd bij 2283 patiënten (mediane leeftijd 70 jaar): 665 patiënten werden behandeld met een ß-lactamantibioticum in monotherapie, 739 met een ß-lactamantibioticum + macrolide en 888 met een chinolon in monotherapie. De toegediende behandeling was in respectievelijk 93, 88 en 93% van de gevallen conform de strategie die voor de desbetreffende periode was vastgelegd.
Het betrof een non-inferioriteitsstudie, waarbij werd gesteld dat de behandeling niet minder goed was dan de andere als het verschil tussen de verschillende strategieën niet groter was dan 3%. De gegevens werden geanalyseerd volgens het principe van intentie tot behandelen.
Er werd geen significant verschil in de sterfte na 90 dagen vastgesteld tussen de drie strategieën: bruto sterfte respectievelijk 9,0%, 11,1% en 8,8%.
Bij analyse volgens het principe van intentie tot behandelen was het overlijdensrisico 1,9 percentpunt (90% BI -0,6 tot +4,4) hoger bij behandeling met een ß-lactamantibioticum + macrolide en 0,6 percentpunt lager (90% BI -2,8 tot 1,9) bij behandeling met een chinolon dan bij behandeling met een ß-lactamantibioticum alleen. Er werden evenmin klinisch relevante verschillen in de duur van de ziekenhuisopname of het optreden van complicaties waargenomen. De mediane tijd tot overschakeling op een orale behandeling was korter bij behandeling met een chinolon: 3 dagen versus 4 dagen met de twee andere strategieën.