COPD en ß-blokkers
COPD-patiënten vertonen vaak cardiale comorbiditeit en sterven even vaak aan een infarct of hartdecompensatie als aan de gevolgen van hun longziekte. Is het redelijk dergelijke patiënten ß-blokkers te ontzeggen?
Het is duidelijk bewezen dat ß-blokkers de prognose van hartpatiënten verbeteren, maar astma en COPD worden vaak beschouwd als contra-indicaties voor het gebruik van ß-blokkers omdat de bronchusvernauwende werking van ß-blokkers de bronchodilaterende eigenschappen van ß2-agonisten zou tegengaan en dus het risico op bronchospasme zou kunnen verhogen. Nochtans zijn er almaar meer aanwijzingen dat ß-blokkers en in elk geval cardioselectieve ß-blokkers veilig zijn bij COPD-patiënten en gunstige effecten hebben op de overleving en de frequentie van exacerbaties.
Recentelijk werd een meta-analyse gepubliceerd van 15 observationele studies met in het totaal 122 000 patiënten waarvan 5 studies bij COPD-patiënten met coronairlijden en 3 bij COPD-patiënten met hartfalen, waarin de patiënten gedurende 1 tot iets meer dan 7 jaar werden gevolgd. Bij de patiënten die een ß-blokker kregen, was de totale sterfte gemiddeld 28% lager (relatief risico 0,72; 95% BI 0,63-0,83) en was het aantal exacerbaties gemiddeld 37% lager (relatief risico 0,63; 95% BI 0,57-0,71). Bij analyse van de subgroep van patiënten met coronairlijden en hartfalen bleek het effect op de totale sterfte nog groter te zijn: gemiddelde daling met 36% (relatief risico 0,64; 95% BI 0,54-0,76).
De gegevens van de meta-analyse bevestigen dus dat het gebruik van ß-blokkers bij COPD-patiënten niet alleen de totale sterfte, maar ook het risico op exacerbaties van COPD verlaagt. Het is dus belangrijk om meer ß-blokkers voor te schrijven bij COPD-patiënten met hart- en vaataandoeningen.